Mechanisme

Arteriële versus veneuze trombusvorming

Trombose treedt op in twee pathofysiologisch verschillende contexten: arterieel (hoge-snelheidsomgeving, gedomineerd door trombocytenaggregatie na plaqueruptuur) en veneus (lage-snelheidsomgeving, gedomineerd door hypercoagulabiliteit en stasis). Dit onderscheid is therapeutisch essentieel: antitrombotische middelen (trombocytenaggregatieremmers) zijn de basis bij arterieel; anticoagulantia bij veneus.

Kernbegrippen

Virchow-triade
Drie condities die veneuze trombose bevorderen: stasis (immobilisatie, langdurig zitten), hypercoagulabiliteit (trombofilie, maligniteit, zwangerschap), endotheel-schade (trauma, chirurgie).
'Witte trombus'
Arteriële trombus: trombocytenrijk, arm aan fibrine; wit van kleur; vormt bij hoge shear stress na plaquruptuur; voorkomend bij STEMI, TIA, ischemisch CVA.
'Rode trombus'
Veneuze trombus: fibrinerijk, rijk aan erytrocyten; rood van kleur; vormt bij lage stroomsnelheid en hypercoagulabiliteit; voorkomend bij DVT en longembolie.
Trombofiliescreen
Laboratoriumonderzoek bij uitgeloste of recidiverende VTE: ATIII, proteïne C, proteïne S, APC-resistentie (factor V Leiden), protrombine 20210A mutatie, antifosfolipidantistoffen.

Arteriële versus veneuze trombose: pathofysiologie en therapeutische consequenties

Arteriële trombose

Arteriële trombose ontstaat op plaatsen met hoge stroomsnelheid en turbulentie, met name bij atherosclerotische plaques. Na plaquruptuur of -erosie wordt subendotheliale matrix (collageen, vWF) blootgesteld. Trombocyten hechten via GPIb-vWF en GPVI-collageen, waarna activatie en aggregatie optreedt. De hoge shear stress 'spit' de trombus aan — meer trombocyten worden gerekruteerd via ADP en TXA2. De resulterende trombus is trombocytenrijk. Fibrine speelt een secundaire rol als versteviger.

Veneuze trombose

Veneuze trombose vormt in omgevingen met lage stroomsnelheid (kleppockets in venen van de kuit, bekken). Stasis vermindert de dilutie van geactiveerde stollingsfactoren en zorgt voor hypoxie van het endotheel. Hypercoagulabiliteit (trombofilie, maligniteit, zwangerschap, OAC-deprivatie) vergroot de stollingsneiging. Het resultaat is een fibrinerijke trombus met ingesloten erytrocyten ('rode trombus'). Trombocyten spelen een kleinere rol.

Therapeutische implicaties

Mengvormen

Bij coronaire microembolie na plaquruptuur zijn zowel trombocyten als fibrine betrokken — vandaar DAPT + anticoagulantia bij ACS/PCI. Bij veneuze trombus met secundaire arteleriële embolie (paradoxale embolie via PFO) spelen beide mechanismen een rol.

Bronnen

  1. Virchow triade en veneuze trombose — Wolberg et al., Nature Rev Cardiol 2012
  2. Arteriële versus veneuze trombose — Brill et al., Circ Res 2014
  3. ESC 2019 PE/DVT Guidelines

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Antistolling