Praktijk

Atriumfibrilleren bij kwetsbare ouderen

Atriumfibrilleren is het meest prevalent bij ouderen: bij 80-plussers heeft 15% AF. Bij kwetsbare ouderen zijn de behandelbeslissingen complexer: hogere beroerte- én bloedingsrisico's, polyfarmacie-interacties, valrisico, cognitieve beperkingen en verminderde therapietrouw vragen om een individuele benadering. Toch is anticoagulatie bij de meeste kwetsbare ouderen de beste keuze.

Kernbegrippen

Kwetsbare oudere (frailty)
Oudere met verminderde reserves en verhoogde kwetsbaarheid voor stressoren; frailty verhoogt zowel beroerte- als bloedingsrisico; Fried-criteria of Clinical Frailty Scale voor beoordeling.
Valrisico en anticoagulatie
Valrisico is geen goede reden om anticoagulatie te onthouden: een patiënt moet gemiddeld 295 maal per jaar vallen voor het verhoogde subduraalrisico door antistolling het beroertevoordeel neutraliseert.
DOAC bij ouderen
DOAC's zijn veiliger dan warfarine bij ouderen (minder intracraniaal bloedingsrisico); doseringaanpassing bij nierfunctievermindering noodzakelijk.
Gedeelde besluitvorming bij dementie
Bij cognitief beperkte patiënt: betrek wettelijk vertegenwoordiger; bespreek behandeldoelen en levenskwaliteit als primaire uitkomsten.
Deintensivering van therapie
Bij extreem kwetsbare ouderen of eindstadium andere ziekte: heroverweeg nut van anticoagulatie; bloedingsrisico kan beroertevoordeel overstijgen bij levensverwachting <6 maanden.

Atriumfibrilleren bij kwetsbare ouderen: balans van risico en behandeling

Epidemiologie

AF-prevalentie stijgt sterk met de leeftijd: <65 jaar <2%; 65–74 jaar ~6%; 75–84 jaar ~10%; ≥85 jaar ~15%. Ouderen hebben gemiddeld hogere CHA₂DS₂-VASc scores en daarmee hogere absolute beroerterisico's — anticoagulatievoordeel is dan groter. Tegelijk zijn bloedingsrisico's verhoogd door polyfarmacie, nierinsufficiëntie en valrisico.

Anticoagulatie: het valargument ontkracht

Valrisico bij ouderen wordt vaak onterecht aangehaald als reden om anticoagulatie te onthouden. Kwantificering: risico op subduraal hematoom bij een val is ~2% per val, maar beroerterisico bij niet-behandeld AF bij hoge CHA₂DS₂-VASc score is 5–8% per jaar. Een patiënt zou >200 maal per jaar moeten vallen voor het bloedingsrisico het beroertevoordeel neutraliseert. Valpreventie (ergotherapie, loophulpmiddelen) is de juiste aanpak — niet staken van anticoagulatie.

DOAC-keuze bij nierfunctiestoornissen

Bij ouderen met verlaagde eGFR: voorkeur voor apixaban (minder renale klaring, 27%) boven rivaroxaban (35%) en dabigatran (80% renaal) — apixaban veiliger bij eGFR 25–50. Bij eGFR <15: DOAC's gecontra-indiceerd; VKA (met strikte INR-controle) als alternatief.

Frequentiecontrole bij ouderen

Lenient streefwaarde (<110 spm) bijzonder geschikt bij ouderen — minder medicatielast. Cave bij bètablokkers: vermoeidheid, duizeligheid, valbewustzijn. Digoxine optie bij inactieve patiënten; lagere dosis vanwege nierfunctie.

Ritmecontrole en ablatie bij ouderen

Katheterablatie bij geselecteerde ouderen (biologische leeftijd 70–80 jaar zonder ernstige comorbiditeiten): vergelijkbare succeskans en veiligheid als bij jongere patiënten — leeftijd alléén is geen contra-indicatie. Klinische beoordeling van functionele status en behandeldoelen bepaalt de keuze.

Bronnen

  1. ESC 2024 AF Guidelines
  2. ARISTOTLE — NEJM 2011
  3. NHG-Standaard Atriumfibrilleren

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Atriumfibrilleren