Aandoening

Atriumflutter: onderscheid van AF en behandeling

Atriumflutter is een georganiseerde atriale macroreentrie-tachycardie met een atriale frequentie van circa 250–300 spm en typisch een 2:1 AV-blok, resulterend in een ventrikelfrequentie van 150 spm. Het verschilt fundamenteel van AF qua mechanisme, ECG-patroon en behandeling. Cavotricuspidaal-isthmus (CTI) ablatie is bij typische flutter curatief.

Kernbegrippen

Typische flutter (CTI-afhankelijk)
Macroreentrie in het rechteratrium via de cavotricuspidaalruimte; typische zaagvormige negatieve P-golven in II/III/aVF; behandelbaar met CTI-ablatie.
Atypische flutter
Macroreentrie niet via CTI maar via littekengebieden of linkeratrium; ECG-patroon gevarieerder; ablatie complexer.
CTI-ablatie
Katheterablatie van de cavotricuspidalis-isthmus; curatief voor typische flutter (succespercentage >95%); eerste keuze behandeling.
2:1 AV-blok bij flutter
De AV-knoop geleidt elke tweede fluttergolf; typisch resulterend in regelmatige ventrikelfrequentie van ~150 spm; soms 3:1 of 4:1 bij gebruik van frequentievertragende middelen.
Anticoagulatie bij flutter
Zelfde beroerterisico als bij AF; CHA₂DS₂-VASc score bepaalt indicatie; beleid identiek aan AF.

Atriumflutter: ECG-herkenning, behandeling en anticoagulatie

Pathofysiologie

Typische atriumflutter berust op een stabiele macroreentrie-cirkel in het rechteratrium via de cavotricuspidalis-isthmus (CTI), de spier tussen de tricuspidalisanulus en de vena cava inferior. De atriale frequentie is 250–300 spm; door fysiologisch AV-knoopblok worden doorgaans slechts 1 op de 2 impulsen doorgeleid (2:1 blok, ventrikelfrequentie ~150 spm).

ECG-herkenning

Typische flutter: zaagvormige, negatieve 'fluttergolven' (F-golven) in II, III en aVF; positieve F-golven in V1; regelmatige basisfrequentie zonder isoelektrische lijn. Ventrikelrespons 2:1 (150 spm), soms 3:1 of 4:1 bij AV-blokkerend medicament. Onderscheid van sinustachycardie bij twijfel: carotissinus-massage of adenosine vertraagt AV-geleiding tijdelijk, maakt F-golven zichtbaar.

Onderscheid van AF

Flutter: georganiseerde, reguliere F-golven, regelmatig ventrikelritme. AF: chaotische basisactivering, absoluut irregulair ventrikelritme, geen discrete P-golven. Klinische consequentie: flutter is eenvoudiger te termineren (cardioversie of overdrivepacing) en curatief te behandelen met ablatie. Let op: flutter en AF coëxisteren vaak; na CTI-ablatie voor flutter kan AF optreden.

Behandeling

Anticoagulatie

Het beroerterisico bij atriumflutter is vergelijkbaar met AF. CHA₂DS₂-VASc score bepaalt de indicatie; beleid identiek aan AF (DOAC eerste keuze). Anticoagulatiepauze rondom cardioversie: zelfde protocol als bij AF (≥3 weken voor of TEE-geleide cardioversie).

Bronnen

  1. ESC 2024 AF Guidelines
  2. ESC 2020 AF Guidelines
  3. NHG-Standaard Atriumfibrilleren

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Atriumfibrilleren