Mechanisme

Pathofysiologie van atriumfibrilleren: triggers en substraat

De pathofysiologie van atriumfibrilleren berust op het samenspel van triggers — ectopische impulsen, meest afkomstig uit de pulmonaalvenen — en een atraal substraat van fibrose, elektrische remodellering en verstoring van de calciumhomeostase. Begrip van deze mechanismen is de basis voor katheterablatie (eliminatie triggers) en moderne farmacotherapie.

Kernbegrippen

Pulmonaalvene-triggers
Ectopische focale activering vanuit de myo-cardiale manchetten rond de pulmonaalvene-ostia; meest frequente trigger voor het initiëren van AF.
Atriale fibrose
Interstitieel collageen in het atrium als gevolg van oxidatieve stress, inflammatie en mechanische rek; vormt heterogeen substraat voor reentrie en AF-persistentie.
Electrical remodeling
Verkorting van de atriale actiepotensduur en refractaire periode door chronische tachycardie bij AF: 'AF begets AF' — eenmaal aanwezig behoudt AF zichzelf.
Calcium-overload
Intracellulaire Ca²+-overbelasting bij AF door veranderde Ca²+-kanaalregulatie; bevordert ectopische activering (afterdepolarisaties) en elektrische instabiliteit.
Autonome modulatie
Het autonome zenuwstelsel (vagale en adrenerge zenuwuitlopers naar het atrium) moduleert AF-inductie; hoge vagale tonus bevordert AF bij nacht/sport; adrenerge pieken triggeren AF bij stress.

Pathofysiologie van atriumfibrilleren: triggers en substraat

Twee-component model

AF vereist voor initiëring en instandhouding twee componenten: (1) een trigger die AF initieert, en (2) een atriaal substraat dat AF in stand houdt. Behandeling richt zich op eliminatie van triggers (ablatie) en modificatie van het substraat (behandeling comorbiditeiten, upstream therapy).

Triggers: pulmonaalvene-ectopie

Haïssaguerre et al. (1998) ontdekten dat de meerderheid van AF-triggers afkomstig is uit de myocardiale manchetten rondom de pulmonaalvene-ostia in het linkeratrium. Aanvullende triggerlokaties: ligament van Marshall, superieure vena cava, coronaire sinus. Triggers manifesteren zich als premature atriumslagen (PAC's) die bij voldoende substraat AF initiëren.

Substraat: atriale fibrose en remodellering

Het substraat voor AF-perpetuatie bestaat uit:

Calcium-handling en afterdepolarisaties

Bij AF is de intracellulaire calciumhomeostase verstoord: spontane Ca²+-vrijstelling uit het sarcoplasmatisch reticulum leidt tot uitgestelde afterdepolarisaties (DADs) die ectopische activering veroorzaken. Dit mechanisme draagt bij aan zowel triggering als substraat.

Klinische relevantie

Behandeling van het substraat (fibrose): cardiometabole comorbiditeiten (hypertensie, diabetes, obesitas) behandelen vermindert atriaal remodelleringstempo. Pulmonaalvene-isolatie elimineert de meest voorkomende triggerregio. Late recidief na ablatie: vrijwel altijd substraatprogressie bij onvoldoende comorbiditeitsbehandeling.

Bronnen

  1. ESC 2024 AF Guidelines
  2. Haïssaguerre et al. — Ectopic Foci Originating from Pulmonary Veins — NEJM 1998
  3. ESC 2020 AF Guidelines

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Atriumfibrilleren