Geneesmiddel

Sotalol bij AF

Sotalol is een antiaritmicum met gecombineerde bèta-blokkerende (klasse II) en kaliumkanaalblokkerende (klasse III) werking. Het is een optie voor ritmecontrole bij AF bij patiënten zonder ernstig structureel hartlijden, maar vereist strikte QTc-monitoring wegens het risico op torsades de pointes, met name bij nierfunctiestoornissen of hypokaliëmie.

Kernbegrippen

Sotalol
Niet-selectieve bètablokker + klasse III kaliumkanaalblokker; verlengt actiepotensduur en refractaire periode in atrium en ventrikel.
Torsades de pointes (TdP)
Polymorf ventriculaire tachycardie geassocieerd met verlengd QT-interval; risico bij sotalol, met name bij hypokaliëmie, bradycardie en nierfunctiestoornissen.
QTc-grens
Stop of verlaag sotalol bij QTc >500 ms (of >550 ms bij LBTB); controleer QTc 3–4 uur na elke dosiswijziging of bij intercurrente ziekte.
Nierfunctiegrens
Sotalol renaal geklaard; aanpassen dosis bij eGFR 30–60; contra-indicatie bij eGFR <30 mL/min (te hoog aritmierisico).
Initiatie in klinisch setting
ESC 2024: overweeg sotalol-initiatie met telemetriemonitoring voor QTc-bewaking; risico het hoogst in de eerste 3 dagen en bij dosiswijzigingen.

Sotalol bij AF: werking, indicaties en veiligheidsmonitoring

Werkingsmechanisme

Sotalol heeft een tweeledig werkingsmechanisme: (1) niet-selectieve bèta-adrenoceptorblokkade (kalmerend, frequentievertragend effect op AV-knoop); (2) kaliumkanaalblokkade (IKr) waardoor de actiepotensduur en effectieve refractaire periode worden verlengd in zowel atrium als ventrikel. Dit maakt sotalol zowel voor frequentie- als ritmecontrole effectief.

Indicaties (ESC 2024)

Veiligheidsmonitoring

QTc vóór start: >450 ms (man) of >470 ms (vrouw): niet starten. Na iedere dosiswijziging: controleer QTc 3–4 uur na inname (piek-effect). Stop bij QTc >500 ms. Elektrolyten: normokaliëmie en normomagnesiëmie zijn vereist — hypokaliëmie verhoogt TdP-risico sterk. Nierfunctie: aanpassen bij eGFR 30–60 (dosis halveren of doseringinterval verdubbelen); vermijden bij eGFR <30.

Dosering

Start 80 mg 2dd; optitreren naar 120–160 mg 2dd na QTc-controle. Maximale dosis 240 mg 2dd bij goed getolereerd QTc. Start bij voorkeur met telemetriemonitoring (eerste 3 dagen) gezien risico op torsades de pointes bij initiatie.

Vergelijking met amiodaron

Sotalol is minder effectief dan amiodaron voor sinusritmebehoud (~50% na 1 jaar vs. ~60–70%), maar heeft minder extracardiale bijwerkingen. Bij structureel intacte patiënten is sotalol een reëel alternatief. Bij HFrEF: amiodaron is de keuze, sotalol gecontra-indiceerd.

Bronnen

  1. ESC 2024 AF Guidelines
  2. Farmacotherapeutisch Kompas — Sotalol

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Atriumfibrilleren