Metabool syndroom: diagnose, criteria en cardiovasculaire implicaties
Het metabool syndroom is geen ziekte maar een risicoclusting die het risico op T2D twee maal en het cardiovasculaire risico twee maal verhoogt ten opzichte van het ontbreken ervan. Centrale definitie varieert, maar alle criteria vereisen de combinatie van centrale obesitas met metabole ontregeling. Behandeling richt zich op leefstijlverandering en individuele risicofactoraanpak.
Kernbegrippen
- IDF-criteria 2006
- Centrale obesitas (buikomvang ≥94 cm man, ≥80 cm vrouw Europeanen) + ≥2 van: TG ≥1,7 mmol/L, HDL <1,0/<1,3 mmol/L, bloeddruk ≥130/85, nuchtere glucose ≥5,6 mmol/L.
- ATP III-criteria (NCEP)
- ≥3 van 5: buikomvang ≥102/88 cm, TG ≥1,7 mmol/L, HDL <1,0/1,3 mmol/L, BD ≥130/85, glucose ≥5,6 mmol/L; geen centrale obesitas als verplicht criterium.
- Insulineresistentie
- Kern van het metabool syndroom; compensatoire hyperinsulinaemie stimuleert VLDL-productie, natriumretentie en sympathicusactivatie — cascade naar alle componenten van het syndroom.
- HOMA-IR
- Homeostasis Model Assessment of Insulin Resistance: nuchtere glucose × nuchtere insuline / 22,5; getal >2,5 suggereert insulineresistentie.
- Visceraal vet vs. subecutaan vet
- Visceraal vet (intra-abdominaal) is metabolisch actief, produceert pro-inflammatoire cytokinen en draagt meer bij aan insulineresistentie dan subecutaan vet.
Metabool syndroom: diagnose en cardiovasculaire implicaties
Definitie en prevalentie
Prevalentie van metabool syndroom in Nederland: 20-25% van de volwassen bevolking; stijgend door toenemende obesitas en sedentaire leefstijl. Prevalentie hoger bij ouderen (>60 jaar: ~40%), laag opleidingsniveau, en bij bepaalde etnische groepen (Surinaamse en Turkse Nederlanders).
Pathofysiologie
Insulineresistentie is het centrale mechanisme. Visceraal vet produceert vrije vetzuren die hepatische gluconeogenese stimuleren, VLDL-overproductie veroorzaken (→ verhoogd TG, verlaagd HDL) en directe toxische effecten hebben op het endotheel. Compensatoire hyperinsulinaemie stimuleert de sympathicus (→ hypertensie) en verhoogt natriumretentie. Pro-inflammatoire cytokinen (TNF-α, IL-6, resistin) verstoren de insulinegevoeligheid verder.
Cardiovasculair risico
Metabool syndroom verdubbelt het cardiovasculaire risico en vijfvoudigt het risico op T2D. Het risico gaat boven de som der afzonderlijke componenten — synergetisch effect. INTERHEART: 13% van alle MI's geattribueerd aan metabool syndroom als geheel. Bij aanwezigheid van metabool syndroom: aggressieve behandeling van alle componenten simultaan.
Behandeling
- Leefstijl (eerste keus): 5-10% gewichtsreductie normaliseert alle componenten bij significant deel patiënten; mediterraan dieet; 150 min/week bewegen
- Hypertensie: RAAS-blokkade (ACE-remmer/ARB); doel <130/80 mmHg
- Dyslipidemie: statine bij hoog cardiovasculair risico; TG-verlaging met omega-3 (bij TG >5,6 mmol/L) of fibraten
- Hyperglykemie: metformine of SGLT2-remmer bij pre-diabetes met hoog risico; geen dwingende medicamenteuze indicatie bij alleen IGT zonder T2D-diagnose
- SGLT2-remmer/GLP-1 RA: bij T2D + metabool syndroom + hoog risico: eerste keusmedicatie voor CV-bescherming en gewichtsreductie