Cardiale biomarkers: troponine, BNP, CRP en meer
Cardiale biomarkers zijn biochemische parameters in bloed die myocardschade, volumeoverbelasting of inflammatie weergeven. Troponine (hs-cTnT/hs-cTnI) is de standaard voor myocardschade-detectie; BNP/NT-proBNP voor volumeoverbelasting bij hartfalen. Juiste interpretatie van cutoffs en stijging/daling-patronen is essentieel voor de klinische praktijk.
Kernbegrippen
- High-sensitivity troponine (hs-cTn)
- Ultragevoelige assay die troponine T of I detecteert met CV <10% bij 99e percentiel; meetbaar bij >50% van gezonde individuen; verhoogd bij elke vorm van myocardschade.
- 99e-percentiel upper reference limit (URL)
- Statistisch vastgestelde bovengrens van troponine in gezonde referentiepopulatie; waarden boven de URL = myocardschade; elke lab-assay heeft eigen URL (bijv. hs-cTnT Roche: 14 ng/L).
- BNP (brain natriuretic peptide)
- Neurohormonaal peptide afgegeven door ventriculaire cardiomyocyten bij verhoogde wandspanning; BNP <35 pg/ml sluit acuut hartfalen nagenoeg uit; BNP >500 pg/ml maakt HF waarschijnlijk.
- NT-proBNP
- Inactief N-terminaal fragment van pro-BNP; langere halfwaardetijd dan BNP; stijgt hoger bij nierinsufficiëntie; leeftijdspecifieke cutoffs: <50 jaar >450 pg/ml, 50-75 jaar >900, >75 jaar >1800 pg/ml (acuut HF).
- Deltatroponine (Δ-troponine)
- Absolute verandering in hs-cTn tussen twee metingen (bijv. 0 en 1 uur of 0 en 2 uur); delta-criterium onderscheidt NSTEMI (stijging) van stabiele niet-ischemische troponineverhoging.
Cardiale biomarkers: klinische interpretatie en valkuilen
Troponine bij ACS
Hs-troponine stijgt 1-3 uur na het begin van myocardschade en bereikt piek na 12-24 uur. Detectiegrens van hs-assays maakt vroege rule-in en rule-out mogelijk: 0/1h- en 0/2h-algoritmen (ESC 2020) classificeren patiënten in hoog risico (rule-in) of laag risico (rule-out) met hoge sensitiviteit en specificiteit. Zie apart artikel over hs-troponine-algoritmen.
Niet-ischemische troponineverhoging
Troponine is niet specifiek voor coronairlijden. Verhoogde waarden treden ook op bij: myocarditis, HF-decompensatie, longembolie, nierinsufficiëntie, sepsis, beroerte, cardioversie, ablatie, aorta-dissectie en intensieve sportbeoefening. Klinische context en delta-troponine (of afwezigheid van stijging) zijn doorslaggevend.
BNP en NT-proBNP bij hartfalen
- Uitsluitingsregel: BNP <35 pg/ml (chronisch HF) of NT-proBNP <125 pg/ml maakt HF onwaarschijnlijk
- Diagnose acuut HF: BNP >500 of NT-proBNP leeftijdsspecifieke drempel
- Nierfunctie: NT-proBNP stijgt sterk bij nierinsufficiëntie; BNP minder beïnvloed
- Prognose: absolute waarde en dalend verloop (in-hospital daling >30%) zijn onafhankelijke uitkomstpredictoren
Andere biomarkers
hsCRP (>3 mg/L = verhoogd vasculair risico), galectine-3 en ST2 (fibrose/inflammatie bij HF), D-dimeer (longembolie/DVT rule-out), procalcitonine (infectie). Geen van deze heeft een gevestigde rol in de acute cardiale triage.