Mechanisme

Antiaritmica: farmacologie van klasse I–IV

De Vaughan Williams-classificatie deelt antiaritmica in op basis van hun primaire ionkanaalwerkingsmechanisme: klasse I (natriumkanaalblokkers), klasse II (bèta-blokkers), klasse III (kaliumkanaalblokkers) en klasse IV (calciumkanaalblokkers). In de praktijk heeft vrijwel elk middel meerdere klasse-eigenschappen. Pro-aritmisch risico is een kritisch aandachtspunt bij alle antiaritmica.

Kernbegrippen

Pro-aritmisch effect
Paradoxale ritmestoornissen veroorzaakt door antiaritmische therapie; met name torsades de pointes bij QT-verlenging (klasse Ia, III).
Natriumkanaalblokker klasse Ic
Flecaïnide en propafenon; sterk Vmax-remming; effectief bij AF maar gecontra-indiceerd na MI of bij structurele hartziekte (CAST-trial).
Amiodaron (klasse III)
Meest effectieve anti-aritmicum; verlengt APD via kaliumkanaalremming; ook klasse I, II en IV eigenschappen; brede orgaantoxiciteit.
QTc-verlenging
Verlengd gecorrigeerd QT-interval; marker voor risico op torsades de pointes; grenswaarden: >450 ms (mannen), >470 ms (vrouwen).
CAST-trial (1989)
Studie die aantoonde dat klasse Ic middelen post-MI de mortaliteit verhogen ondanks effectieve aritmieonderdrukking — paradigmaverschuiving.

Vaughan Williams-classificatie van antiaritmica

Klasse I: Natriumkanaalblokkers

Klasse I-middelen blokkeren de snelle instroom van Na⁺ tijdens fase 0 van het actiepotentiaal, waardoor de maximale depolarisatiesnelheid (Vmax) daalt. Subklassen:

Klasse II: Bèta-blokkers

Bèta-blokkers remmen sympathische activatie via bèta-1-receptorblokking. Ze verlagen de sinusknoopfrequentie, vertragen AV-geleiding en verminderen het automatisme van ectopische pacemakers. Bèta-blokkers zijn de enige antiaritmica met bewezen mortaliteitsreductie post-MI. Ze zijn eerste keus bij supraventriculaire tachycardie, AF-frequentiecontrole en ventriculaire aritmieën bij ischemische hartziekte.

Klasse III: Kaliumkanaalblokkers

Klasse III-middelen verlengen de repolarisatiefase (fase 3) door remming van K⁺-kanalen (IKr), waardoor de actiepoteniaalduur (APD) en het refractaire tijdvak toenemen. Sotalol heeft bovendien bèta-blokkerende eigenschappen. Amiodaron is de meest effectieve vertegenwoordiger maar kent brede orgaantoxiciteit. Dofetilide en ibutilide zijn zuivere IKr-blokkers; dronedarone heeft een vergelijkbaar spectrum als amiodaron maar minder toxiciteit en minder effectiviteit.

Klasse IV: Calciumkanaalblokkers

Non-DHP calciumantagonisten (verapamil, diltiazem) remmen slow-inward Ca²⁺-stroom, verlengen AV-knooprefractairperiode en vertragen de ventrikelrespons bij AF. Ze zijn gecontra-indiceerd bij WPW-syndroom met preëxcitatie (risico op versneld geleiding via accessoire bundel).

Pro-aritmisch risico

Alle antiaritmica kunnen aritmieën induceren. Bepalende factoren: QTc-duur vóór behandeling, elektrolytstoornissen (hypokaliëmie, hypomagnesiëmie), nierfunctie (renale klaring bepaalt spiegels), co-medicatie en structurele hartziekte. Controleer vóór en na start van elk anti-aritmicum een ECG met QTc-meting.

Bronnen

  1. CAST Trial — klasse Ic antiaritmica verhogen mortaliteit na MI (NEJM 1989)
  2. ESC 2020 Ventricular Arrhythmias & SCD Guidelines
  3. ESC 2020 AF Guidelines — antiaritmica bij AF
  4. Farmacotherapeutisch Kompas — antiaritmica

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Farmacologie