Mechanisme

Calciumantagonisten: dihydropyridinen vs. non-DHP

Calciumantagonisten blokkeren voltage-afhankelijke L-type calciumkanalen in vasculair glad spierweefsel en het myocard. Dihydropyridinen werken voornamelijk op de vaatwand; non-dihydropyridinen hebben bovendien een negatief chronotroop en dromotroop effect. De keuze tussen beide subklassen bepaalt grotendeels de klinische toepassing.

Kernbegrippen

Dihydropyridine (DHP)
Subklasse calciumantagonisten (amlodipine, nifedipine, felodipine) met overwegend vasculaire selectiviteit; weinig cardiale depressie.
Non-dihydropyridine (non-DHP)
Verapamil en diltiazem: remmen naast vaattonus ook de sinusknoop en AV-knoop, bruikbaar bij SVT en voorkamerfibrilleren.
Reflextachycardie
Compensatoire hartslagverhoging door vasodilatatie bij kortwerkende DHP-preparaten; minder bij langwerkende formuleringen.
Negatief chronotroop effect
Verlaging van de hartfrequentie door remming van de sinusknoopautomaticiteit; kenmerk van verapamil en diltiazem.
Perifer oedeem
Frequente bijwerking van DHP-calciumantagonisten door arteriële vasodilatatie met relatieve venulocapillaire drukverhoging.

Farmacologie van calciumantagonisten

Werkingsmechanisme

Calciumantagonisten blokkeren L-type Ca²⁺-kanalen die bij depolarisatie opengaan. In vasculair glad spierweefsel verhindert dit calciuminstroom en ontspant de vaatwand, waardoor de arteriële weerstand daalt. In het myocard en het geleidingssysteem vertraagt de lagere calciuminstroom de contractiliteit, sinusknoopfrequentie en AV-geleiding.

Dihydropyridinen

Amlodipine, nifedipine (retard) en felodipine binden preferentieel aan de geïnactiveerde toestand van vasculaire calciumkanalen. Hierdoor is de vasculaire selectiviteit hoog en zijn cardiale effecten klinisch gering. Indicaties omvatten hypertensie, stabiele angina pectoris en het syndroom van Raynaud. Amlodipine heeft een halfwaardetijd van 35-50 uur, waardoor eenmaal daagse dosering mogelijk is en de bloeddrukdaling geleidelijk verloopt.

Non-dihydropyridinen

Verapamil en diltiazem binden aan het open kanaal en hebben daardoor ook cardiale effecten. Beide verlengen de PR-tijd en verlagen de hartfrequentie. Ze worden toegepast bij boezemfibrilleren (frequentiecontrole), paroxysmale supraventriculaire tachycardie en stabiele angina, met name als bèta-blokkers gecontra-indiceerd zijn.

Klinisch relevante vergelijking

Bij hartfalen met gereduceerde EF zijn non-DHP calciumantagonisten gecontra-indiceerd vanwege hun negatief inotroop effect. DHP-calciumantagonisten (met name amlodipine) zijn veilig en kunnen bij persisterende angina of hypertensie worden toegevoegd. Bij boezemfibrilleren met snelle ventrikelrespons zijn non-DHP's eerste keus als bèta-blokkers niet verdragen worden.

Bijwerkingen

Bronnen

  1. ESC 2018 Hypertension Guidelines — calciumantagonisten bij hypertensie
  2. ESC 2019 Chronic Coronary Syndromes Guidelines — calciumantagonisten bij angina
  3. Farmacotherapeutisch Kompas — calciumantagonisten

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Farmacologie