Praktijk

Hartfalen en nierfunctie: de cardiorenal paradox

Hart en nieren zijn nauw met elkaar verbonden: hartfalen leidt tot nierfunctievermindering, en nieraandoeningen versnellen de progressie van hartfalen. Dit bidirectionele spectrum, het cardiorenal syndroom, is een van de grootste uitdagingen in de zorg voor hartfalenpatiënten. Bijna 50% van de hartfalenpatiënten heeft een significante nierinsufficiëntie.

Kernbegrippen

Cardiorenal syndroom (CRS)
Bidirectionele relatie tussen hart en nier: CRS type 1 (acuut hartfalen → acuut nierfalen), type 2 (chronisch HF → CKD), type 3 (acuut nierfalen → acuut HF), type 4 (CKD → chronisch HF).
Veneuze congestie
Verhoogde centrale veneuze druk bij HF leidt tot verhoogde intrarenale veneuze druk en verminderde GFR — 'congestion-related AKI', niet hypoperfusie.
Cardiorenal paradox
Fenomeen waarbij nierfunctieverbetering (stijging kreatinine) bij agressieve diurese gepaard gaat met betere prognose — decongestie is het doel, niet niersparing.
WRF (worsening renal function)
Kreatininestijging ≥26 µmol/L of ≥25% tijdens behandeling; bij decompensatie veelal een teken van adequate decongestie, niet van nierschade.
eGFR en medicatiedrempels
Medicatiekeuze en dosering afhankelijk van eGFR: SGLT2-remmers te stoppen bij eGFR <20–25, MRA bij eGFR <30 voorzichtigheid, ACE-remmer bij eGFR <30 reduceren.

Hartfalen en nierfunctie: de cardiorenal paradox en behandelimplicaties

Pathofysiologie van het cardiorenal syndroom

Twee mechanismen dragen bij aan nierinsufficiëntie bij hartfalen: (1) verminderde renale perfusie door lage cardiac output ('forward failure') en (2) verhoogde intrarenale veneuze druk door congestie ('backward failure'). Studies tonen dat veneuze congestie een sterkere predictor is van nierfunctievermindering dan lage cardiac output. Neurohormonale activatie (RAAS, sympaticus) dragen aanvullend bij aan nierschade en Na-retentie.

Klinische implicaties: de cardiorenal paradox

Bij decompensatie zien we soms paradoxale nierfunctieverbetering na effectieve diurese (dalende congestie → lagere intrarenale veneuze druk → betere GFR), en soms nierfunctievermindering (lage cardiac output → verminderde renale perfusie). Een lichte kreatininestijging tijdens intensieve diurese (tot 30% boven uitgangswaarde) is acceptable en moet geen reden zijn om diuretica te staken — decongestie is het primaire doel.

Medicatieaanpassingen bij nierfunctieverslechtering

Hyperkaliëmie: drempel en behandeling

Frequente complicatie bij combinatie van ACE-remmer/ARNI + MRA bij CKD. Behandeldrempel: K+ >5,5 mmol/L → verlaag/stop MRA; K+ >6,0 → stop MRA definitief. Patiromer en natriumzirconiumcyclosilicaat (kaliumchelatoren) maken herstart van RAAS-blokkade mogelijk bij chronische hyperkaliëmie — relevant bij HFrEF + CKD.

Bronnen

  1. ESC 2021 Guidelines for Heart Failure
  2. DAPA-HF — NEJM 2019 (renal outcomes)
  3. EMPEROR-Reduced — NEJM 2020 (renal outcomes)

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Hartfalen