Hartfalen en zwangerschap
Hartfalen tijdens de zwangerschap is zeldzaam maar levensbedreigend voor moeder en kind. Peripartum cardiomyopathie (PPCM) is de meest voorkomende oorzaak en treedt op in de laatste maanden van de zwangerschap of vroeg postpartum. Veel standaard hartfalenmedicamenten zijn gecontra-indiceerd in de zwangerschap, wat de behandeling complex maakt.
Kernbegrippen
- Peripartum cardiomyopathie (PPCM)
- HFrEF met EF <45% die optreedt in de laatste maand van zwangerschap of binnen 5 maanden postpartum, zonder andere oorzaak.
- Prolactine-hypothese
- PPCM-pathogenese: oxidatieve stress → prolactine-klieving → cardiotoxisch 16 kDa-prolactinefragment; basis voor bromocriptinebehandeling.
- Bromocriptine
- Dopamine-agonist die prolactinesecretie remt; bij PPCM aangetoond voordeel in EF-herstel (ZACARD-trial); stopt ook borstvoeding.
- Verboden medicatie in zwangerschap
- ACE-remmers, ARB, ARNI, MRA (spironolacton): gecontra-indiceerd. Toegestaan: bètablokkers (met name metoprolol, carvedilol), digoxine, lisdiuretica, heparine.
- ESC-richtlijn Cardiovasculaire Aandoeningen in de Zwangerschap 2018/2024
- Beschrijft risicostratificatie (mWHO-klassen), medicatieveiligheid en bevallingsplanning bij hartfalen in de zwangerschap.
Hartfalen en zwangerschap: peripartum cardiomyopathie en medicatiebeperkingen
Peripartum cardiomyopathie
PPCM is gedefinieerd als HFrEF (EF <45%) optredend in de laatste maand van de zwangerschap of binnen 5 maanden postpartum, zonder andere cardiale oorzaak. Incidentie: 1:1.000–3.000 bevallingen in Europa; hoger in Afrika en de VS (afkomst geassocieerd). Risicofactoren: multipara, meerlingzwangerschap, hypertensie, pre-eclampsie, hoge leeftijd, Afrikaanse origine.
Pathofysiologie
De prolactine-hypothese is de meest geaccepteerde: oxidatieve stress leidt tot klieving van prolactine (23 kDa) door cathepsine D tot een cardiotoxisch 16 kDa-fragment, dat angiogenese remt en apoptose induceert. Dit verklaart de rationale voor bromocriptinebehandeling. Genetische aanleg speelt ook een rol: TTN-mutaties bij 15% van PPCM-patiënten.
Behandeling tijdens zwangerschap
Verboden medicatie: ACE-remmers, ARB, ARNI (teratogeen, renale embryopathie), MRA (spironolacton anti-androgeen), SGLT2-remmers (onvoldoende data). Veilige alternatieven:
- Hydralazine + nitraten: voor vasodilatatie (vervanging ACE-remmer).
- Bètablokkers: metoprolol of carvedilol; carvedilol na bevalling bij voorkeur.
- Lisdiuretica: furosemide bij congestie (voorzichtig bij vroege zwangerschap).
- Bromocriptine: 2,5 mg 2dd postpartum bij PPCM; ZACARD-trial toonde EF-verbetering en veiligheid.
- LMWH: anticoagulatie bij EF <35% of AF.
Bevalling en postpartum zorg
Bevalling in derde-lijnsziekenhuis met hartteam, neonatologie en anesthesiologie. Vaginale bevalling bij hemodynamisch stabiele patiënten de voorkeur; sectio bij instabiele hemodynamiek. Postpartum: start ACE-remmer/ARNI direct (niet bij borstvoeding); overweeg switch van hydralazine/nitraten naar ACE-remmer. Borstvoeding: staken bij bromocriptinegebruik. Follow-up echocardiografie bij 6 weken en 6 maanden postpartum. Prognose: ~50% volledig EF-herstel; recurrente PPCM bij herhaalde zwangerschap in 30–50%.
