Mechanisme

Pathofysiologie van atherosclerose: plaque van vorming tot ruptuur

Atherosclerose is een chronisch inflammatoir vasculair proces dat begint in de tweede levenstiende. Endotheeldisfunctie, LDL-oxidatie, macrofaaginfiltratie en gladde spiercelmigratje leiden tot plaquevorming. Plaqueruptuur of -erosie met superimposed trombus is het acute mechanisme achter hartinfarct en beroerte.

Kernbegrippen

Endotheeldisfunctie
Verlies van vasculaire homeostase door hypertensie, LDL, roken of hyperglykemie; initiatiefase van atherosclerose.
Schuimcel (foam cell)
Met oxLDL geladen macrofaag in de intimalaag; kernelement van het atherosclerotische atherroom.
Fibrotische kap
Laag glad spierweefsel en collageen over de lipidenkern; dunne kap = kwetsbare/instabiele plaque.
Vulnerabele plaque
Plaque met dunne fibrotische kap (<65 µm), grote lipidenkern en actieve inflammatie; hoog ruptuurrisico.
Plaqueruptuur
Scheuren van de fibrotische kap waardoor de lipidenkern in contact komt met bloed; activeert stollingscascade; leidt tot occlusieve trombus.

Van endotheeldisfunctie tot acuut coronair syndroom: stadia van atherosclerose

Initiatie: endotheeldisfunctie

Risicofactoren (LDL, hypertensie, roken, hyperglykemie) beschadigen het endotheel functioneel. Verminderde NO-productie, verhoogde adhesie-molecuulexpressie (ICAM-1, VCAM-1) en toegenomen permeabiliteit voor LDL initiëren het proces. LDL accumuleert subendotheliaal en raakt geoxideerd (oxLDL).

Vorming van het atheroom

OxLDL trekt monocyten aan die differentiëren tot macrofagen en via scavenger-receptoren massale hoeveelheden lipiden opnemen (schuimcellen). Gladde spiercellen migreren van de media naar de intima en produceren collageen. Inflammatoire cytokinen (IL-1β, TNF-α, IL-6) onderhouden het proces. Een lipidenkern met necrotisch centrum en neovascularisatie ontstaat.

Stabiele versus instabiele plaque

Stabiele plaque heeft een dikke fibrotische kap, kleine lipidenkern en weinig inflammatie. Instabiele (vulnerabele) plaque heeft een dunne kap (<65 µm), grote lipidenkern, actieve macrofaaginfiltratie en neovascularisatie. Matrix-metalloproteasen (MMPs) verzwakken de kap. Statines verbeteren de plaquesamenstelling: dikkere kap, kleinere lipidenkern.

Plaqueruptuur en trombus

Ruptuur van de fibrotische kap stelt de trombogene lipidenkern (tissue factor-rijk) bloot aan bloed. Plaatjesactivatie, stollingscascade en trombusvorming volgen. Of dit leidt tot een acuut coronair syndroom hangt af van de trombusmassa, het vaatlumen en de collateraalcirculatie. Plaque-erosie (zonder ruptuur) is de tweede mechanisme, met name bij jongere vrouwen.

Therapeutische implicaties

Bronnen

  1. ESC/EAS 2019 Dyslipidemie Richtlijn
  2. ESC 2021 Preventie Richtlijn
  3. CANTOS Trial — NEJM 2017

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Lipiden & Atherosclerose