Diagnostiek

Elektrofysiologisch onderzoek (EFO): indicaties en uitvoering

Elektrofysiologisch onderzoek (EFO) is een invasieve diagnostische procedure waarbij elektrodekathethers in de hartholten worden gepositioneerd om de elektrische activiteit te meten en ritmestoornissen te induceren en in kaart te brengen. EFO is onmisbaar bij diagnostisch onduidelijke syncope, risicostratificatie bij kanaaliopathieën en voorbereiding op katheterablatie.

Kernbegrippen

His-bundel-elektrogram
Intracardiale registratie van activiteit in het His-bundel; meet AH-interval (AV-knoop) en HV-interval (His-Purkinje-systeem).
AH-interval
Tijd van atriale depolarisatie tot His-activering; normaal 55-130 ms; verlengd bij AV-knoopdisfunctie.
HV-interval
Tijd van His-activering tot ventriculaire depolarisatie; normaal 35-55 ms; verlengd (>70 ms) bij infra-Hisiaans geleidingsdefect; >100 ms = indicatie voor profylactische pacemaker.
Programmeerde ventriculaire stimulatie (PVS)
Protocol van extrastimuli na reeks basisstimuli om VT/VF te induceren; gebruikt voor risicostratificatie bij overleefde hartstilstand of onverklaarde syncope.
Inductiebaarheid
Mogelijkheid om de klinische tachycardie te induceren via PVS; specifiek maar niet zeer sensitief voor klinisch relevante VT.

Indicaties

Uitvoering

Percutane veneuze toegang (v. femoralis, v. subclavia) voor elektrodekathethers naar RA, His-bundel, RV en coronaire sinus. Standaardmeting: AH, HV, WBCL (Wenckebach-cyclus-lengte). Programmeerde stimulatie van atria (AVNRT, AF, flutter) en ventrikels (VT). Farmacologische provocatie (isoprenaline, ajmaline, adenosine) indien nodig.

Interpretatie

Een verlengd HV-interval (>70 ms) bij symptomatische patiënten is een indicatie voor pacemaker-implantatie. Inductie van anhoudende monomorfe VT bij patiënten met structureel hartlijden is geassocieerd met verhoogd risico op plotse hartdood. Niet-inductiebaarheid sluit aritmie-risico echter niet uit.

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

Bronnen

Terug naar Ritmestoornissen