Eerste EASD-richtlijn over glucosesensoren bij type 2-diabetes: voorwaardelijk 'wij stellen voor' in alle groepen, HbA1c 0,32 procentpunt lager, bewijs van lage zekerheid
Milaan, woensdag 30 september. Voor type 1-diabetes is de glucosesensor allang standaard. Voor type 2-diabetes, veruit de grootste groep, was er tot nu toe geen Europese richtlijn, terwijl de fabrikanten de markt van sensoren voor mensen zonder insuline of met alleen basale insuline hard bewerken. De EASD presenteerde vanmiddag in Milaan haar eerste richtlijn over continue glucosemonitoring (CGM) bij type 2-diabetes, opgesteld volgens de GRADE-methode en na een openbare consultatie in de zomer. De toon is voorzichtig: overal 'wij stellen voor', nergens 'wij bevelen aan'.
Wat de richtlijn zegt
De richtlijn beantwoordt negen klinische vragen op basis van een eigen meta-analyse van gerandomiseerde studies.
- Voor volwassenen met type 2-diabetes in het algemeen stelt het panel voor om CGM als optie naast de gebruikelijke zorg aan te bieden. Gepoold effect op HbA1c: -0,32 procentpunt (95%-BI -0,42 tot -0,23), tijd in doelbereik +6,3 procentpunt, zekerheid van het bewijs zeer laag.
- Hetzelfde voorwaardelijke advies geldt voor mensen zonder insuline (HbA1c -0,35 procentpunt, lage zekerheid), met alleen basale insuline (-0,18, niet significant; het panel spreekt van 'triviale' verbeteringen) en met intensieve insulinetherapie (-0,23, zeer lage zekerheid).
- Real-time CGM (-0,46 procentpunt) en gescande CGM (-0,23) worden beide als optie voorgesteld; een directe vergelijking ontbreekt. Ook periodiek gebruik van een sensor, in plaats van doorlopend, krijgt een plaats.
- Tegen routinematig gebruik van geblindeerde ('masked') CGM stelt het panel zich op: geen effect op HbA1c, wel een rol in onderzoek.
- Op hypoglykemie, ook ernstige, vond het panel geen overtuigend effect; op tevredenheid met de behandeling wel.
Het panel benoemt nadrukkelijk de kosten en de ongelijke toegang, en vraagt om onderzoek bij de groepen die het meest zouden kunnen profiteren: mensen met frequente hypoglykemie, ouderen, mensen met cognitieve beperkingen en nierfunctievervanging, en naar effecten op complicaties en sterfte, waarover vrijwel geen bewijs bestaat.
De sterftedata van Abbott
Op datzelfde gat mikte Abbott deze week met een observationele studie in een Amerikaanse database van elektronische dossiers: bijna 28.000 volwassenen met type 2-diabetes op basale insuline, ongeveer 14.000 sensorgebruikers (grotendeels Libre) gematcht op 29 kenmerken met evenveel niet-gebruikers, in een target-trial-emulatie. Sensorgebruik ging samen met 45 procent lagere sterfte na 12 maanden en 36 procent na 24 maanden, en met minder cardiovasculaire complicaties. Het is een sponsorpresentatie zonder peer-reviewed publicatie, en een sterfteverschil van deze omvang bij een meetinstrument roept eerder vragen op over wie een sensor krijgt dan dat het een effect van de sensor bewijst. De richtlijn zelf hanteert precies die terughoudendheid.
Wat betekent dit voor de praktijk
Voor de huisarts en praktijkondersteuner die de meeste mensen met type 2-diabetes begeleiden, is de boodschap tweeledig. Een sensor kan een nuttige optie zijn, vooral om samen met de patiënt te leren wat voeding, beweging en medicatie met de glucose doen; het effect op HbA1c is bescheiden en op harde uitkomsten onbewezen. Nederland vergoedt sensoren bij type 2-diabetes vooralsnog alleen bij intensieve insulinetherapie; deze richtlijn geeft geen dwingende reden om dat te verbreden, wel een kader om per patiënt te beslissen.
Lees ook
Wilt u op de hoogte blijven?
Gratis: de maandelijkse nieuwsbrief met het nieuwsoverzicht, en de site afgestemd op uw vakgebied.
