
EAS 2026: Lipiden, Lp(a) en de toekomst van ASCVD-preventie
Het jaarlijkse congres van de European Atherosclerosis Society (EAS) is hét Europese podium waar fundamenteel, translationeel en klinisch onderzoek naar atherosclerose en vaatziekten samenkomen. De 94e editie vond plaats in Athene, samen met de Hellenic Atherosclerosis Society, met plenaire sessies over lipoproteïnen voorbij de lever, atherotrombose en de toekomst van ASCVD-preventie, en met de Anitschkow-lezing door prof. Heribert Schunkert. HartVaat.nl bundelt de belangrijkste publicaties rond het congres — over familiaire hypercholesterolemie, lipoproteïne(a), CETP- en PCSK9-remming en de rol van ontsteking — in Nederlandse samenvattingen.
Programma — plenaire en klinische kernsessies
Opening & Anitschkow-lezing
- Anitschkow-lezing 2026 — prof. Heribert Schunkert (TU München / Deutsches Herzzentrum) — bekroond voor zijn werk aan de genetica en metabole regulatie van hart- en vaatziekten
Plenair 01 — Lipiden en lipoproteïnen voorbij de lever
- Structuur van 'slechte' lipoproteïnen — Alan Remaley (VS)
- Nieuwe therapieën voor remnant-cholesterol en triglyceriden — Robert Rosenson (VS)
- Lichaamsbeweging en hart- en vaatziekten — Hendrik Sager (Duitsland)
- Atherosclerose en dementie — oorzaken en preventie — Ruth Frikke-Schmidt (Denemarken)
Klinische kernsessies
- EAS-consensussessie: FH bij kinderen en adolescenten — harmonisatie van lipidenpoliklinieken
- Lp(a) in focus: risicostratificatie, diabetes en nieuwe therapieën — lipoproteïne(a)
- Late Breaker: PCSK9-farmacologie — orale en nieuwe PCSK9-remmers
- ACC/EAS-sessie: harmonisatie van Europese en Amerikaanse dyslipidemie-richtlijnen 2025/2026 — richtlijnen
Plenair 02 — Nieuwe uitdagingen in atherosclerose
- Een nieuw tijdperk in atherotrombose — Lina Badimon (Spanje)
- Vaatveroudering: van biologie naar kliniek — Konstantinos Stellos (Duitsland)
- Verlies van het Y-chromosoom en CHIP bij ASCVD — José Fuster (Spanje)
- AI-versterkte exposomics in cardiovasculaire gezondheid — Sanjay Rajagopalan (VS)
Plenair 03 — Nieuwe horizonten in ASCVD-management
- Precisiegeneeskunde voor cardiovasculaire preventie — Filippo Crea (Italië)
- Kan CT alleen de ASCVD-behandeling sturen? — Charalambos Antoniades (VK)
- Voorspellen biomarkers plaquekwetsbaarheid? — Isabel Goncalves (Zweden)
- De PCSK-familie in en buiten hart- en vaatziekten — Nabil Seidah (Canada)
Uitslagen & duiding
EAS-consensus: familiaire hypercholesterolemie bij kinderen en adolescenten
De EAS presenteerde in Athene een nieuwe consensusverklaring over familiaire hypercholesterolemie (FH) bij kinderen en adolescenten — met Nederlandse hoofdauteurs (Wiegman, Amsterdam UMC; Roeters van Lennep, Erasmus MC). De kernboodschap: spoor FH al op de kinderleeftijd op en start lipidenverlagende therapie vóór de puberteit, want vroege behandeling kan de levensverwachting normaliseren. Omdat de huidige criteria veel genetisch bevestigde gevallen missen, presenteert de verklaring herziene diagnostische criteria en roept ze alle landen op tot pediatrische screening.
- HeFH treft ongeveer 1 op 300 mensen, HoFH ongeveer 1 op 300.000
- Start lipidenverlaging vóór de puberteit bij HeFH, zo nodig al vanaf 6 jaar
- Herziene diagnostische criteria — de huidige missen veel mutatiedragers
- Oproep tot landelijke pediatrische screeningsprogramma's en behandelalgoritmen voor HeFH en HoFH
VESALIUS-CV: Lp(a) voorspelt risico, evolocumab werkt ongeacht uitgangswaarde
Een vooraf gespecificeerde analyse van VESALIUS-CV onderzocht of lipoproteïne(a) de winst van evolocumab voorspelt bij 7.557 patiënten zonder eerder infarct of beroerte. Een hoger Lp(a) ging gepaard met meer ernstige coronaire events — vooral myocardinfarct — maar niet met herseninfarct. Evolocumab verlaagde het relatieve risico in vergelijkbare mate ongeacht het uitgangs-Lp(a), maar leverde absoluut iets meer winst op bij verhoogd Lp(a): een argument voor vroege PCSK9-remming in deze groep.
- HR 1,15 per 100 nmol/l hoger Lp(a) voor ernstige coronaire events
- Geen associatie tussen Lp(a) en ischemisch herseninfarct
- Relatieve risicoreductie door evolocumab vergelijkbaar over de hele Lp(a)-range
- NNT 28 (Lp(a) >105 nmol/l) versus 40 over 5 jaar
Obicetrapib verlaagt naast LDL en apoB ook lipoproteïne(a)
De selectieve CETP-remmer obicetrapib verlaagt niet alleen LDL-C en apoB, maar ook lipoproteïne(a). In een gepoolde analyse van 2.356 hoogrisicopatiënten (heterozygote FH of bestaand vaatlijden) daalde Lp(a) na twaalf weken met gemiddeld 37%. Bijzonder is dat de absolute Lp(a)-daling vergelijkbaar was bij mild en bij sterk verhoogd Lp(a) — wat een orale optie biedt voor patiënten die niet in aanmerking komen voor de duurdere RNA-gerichte Lp(a)-therapieën.
- Placebo-gecorrigeerd: LDL-C −37%, apoB −21%, Lp(a) −37%
- Absolute Lp(a)-daling vergelijkbaar ongeacht het uitgangsniveau
- Eén tablet per dag (obicetrapib 10 mg) gedurende 12 weken
- Relevant voor mild verhoogd Lp(a) buiten het bereik van RNA-therapie
Orale PCSK9-remmers: meta-analyse bevestigt krachtige LDL-daling
Orale PCSK9-remmers komen eraan. Een meta-analyse van vijf RCT's met enlicitide, NNC0385-0434 en laroprovstat (samen 3.295 deelnemers) toont een LDL-C-daling van bijna 60% ten opzichte van placebo, met gunstige effecten op apoB, non-HDL-cholesterol en Lp(a) en een geruststellend kortetermijnveiligheidsprofiel. Daarmee benadert de effectiviteit van orale PCSK9-remming die van de injecteerbare middelen — een potentiële doorbraak voor therapietrouw en toegankelijkheid.
- Gepoolde LDL-C-daling −59% versus placebo
- apoB −50%, non-HDL-cholesterol −55%, Lp(a) −23%
- Geen verhoogd risico op ernstige bijwerkingen op korte termijn
- Drie moleculen onderzocht: enlicitide, NNC0385-0434 en laroprovstat
Lp(a)-JAPAN: verhoogd Lp(a) blijft risicovol ondanks LDL onder 55 mg/dl
Zelfs bij een streng gereguleerd LDL-C (<55 mg/dl) blijft een verhoogd lipoproteïne(a) gevaarlijk. In 1.581 Japanse patiënten met coronairlijden na PCI was het gestandaardiseerde 5-jaars-risico op cardiovasculaire events bijna zeven keer hoger bij Lp(a) ≥50 mg/dl dan bij Lp(a) <30 mg/dl. De drempel voor verhoogd risico lag rond 28 mg/dl — lager dan in westerse cohorten wordt aangehouden. Strikte LDL-verlaging dempt het Lp(a)-risico dus deels, maar heft het niet op.
- 5-jaars-MACE bijna 7× hoger bij Lp(a) ≥50 mg/dl
- Verhoogd Lp(a)-risico blijft bestaan ondanks LDL-C <55 mg/dl
- Risicodrempel ongeveer 28 mg/dl — lager dan in westerse populaties
- 1.581 patiënten, mediane observatie 5,1 jaar (Lp(a)-JAPAN)
IL-6 sterker met hart- en vaatziekte geassocieerd dan LDL, Lp(a) en CRP
Welke risicomarker telt het zwaarst? In UK Biobank en MESA — twee grote primaire-preventiecohorten — vertoonde de ontstekingsmarker interleukine-6 (IL-6) de sterkste, onafhankelijke associatie met atherosclerotische events, sterker dan LDL-C, Lp(a) en hsCRP. De bevinding versterkt het idee dat ontsteking, en specifiek de IL-6-route, een aantrekkelijk doelwit is voor toekomstige cardiovasculaire preventie — een thema dat ook in de Atheense plenaire sessies over atherotrombose centraal stond.
- IL-6: HR 1,67 (UK Biobank) en 1,60 (MESA), hoogste versus laagste kwartiel
- Sterkere associatie met events dan LDL-C, Lp(a) en hsCRP
- Effect blijft bestaan na onderlinge correctie van de biomarkers
- Ondersteunt IL-6 als therapeutisch doelwit voor preventie
Ongericimab: nieuwe PCSK9-antistof verlaagt LDL fors in meta-analyse
Het arsenaal aan PCSK9-antistoffen breidt verder uit. Ongericimab, een gehumaniseerde monoklonale antistof tegen PCSK9, verlaagde in een meta-analyse van vijf RCT's (1.421 patiënten met hypercholesterolemie) het LDL-C met 62 tot 73%, afhankelijk van het doseringsschema, met gunstige effecten op Lp(a), apoB en triglyceriden en een veiligheidsprofiel vergelijkbaar met placebo. Cardiovasculaire uitkomststudies moeten de klinische winst nog bevestigen.
- LDL-C −62% tot −73% afhankelijk van het dosisschema
- Lp(a) −45 tot −50%; ook daling van apoB en triglyceriden
- Bijwerkingen vergelijkbaar met placebo
- Cardiovasculaire uitkomststudies nog nodig
Nederlandse posters (687 uitgelicht: 22)
EAS 2026 telde bijna 700 e-posters plus de Science at a Glance-presentaties. HartVaat.nl lichtte de Nederlandse inbreng eruit — werk van onder meer Amsterdam UMC, Erasmus MC, UMC Utrecht, UMC Groningen en Maastricht UMC — geordend op thema. Klik door naar de officiële postergalerij voor de volledige presentatie.
Familiaire hypercholesterolemie
Early treatment, lifelong impact: long-term cardiovascular outcomes of children with familial hypercholesterolemia
Poster on board
Volgt kinderen met FH tot in de volwassenheid om de cardiovasculaire winst van vroeg starten te kwantificeren — de Nederlandse cohortlijn rond Wiegman.
From registry to reality: FH diagnoses and lipid-lowering therapy use in Dutch children.
Poster on board
Registratiedata vertaald naar de praktijk: krijgen Nederlandse kinderen met FH daadwerkelijk de diagnose én lipidenverlagende therapie?
Rationale and design of 25-year follow-up of patients with familial hypercholesterolemia treated with statins since childhood: the AFTER25-study
Poster on board
Opzet van de AFTER25-studie: 25 jaar follow-up van patiënten die sinds hun kindertijd statines krijgen voor FH.
Impact of evinacumab on coronary plaques in patients with homozygous familial hypercholesterolemia: protocol of the "EVOLVE-HoFH" study
Poster on board
Protocol van de EVOLVE-HoFH-studie naar het effect van evinacumab op coronaire plaque bij homozygote FH (met Stroes, Amsterdam UMC).
Genotype and variant functional severity predict phenotype, treatment response, and cardiovascular risk in homozygous familial hypercholesterolaemia: a cross-sectional analysis from the HICC registry
Science at a Glance
Genotype en functionele ernst van de variant voorspellen fenotype, behandelrespons en cardiovasculair risico bij homozygote FH — een dwarsdoorsnede uit de internationale HICC-registry. Met Erik Stroes (Amsterdam UMC).
Nieuwe lipidenverlagende therapieën
Patient preferences for PCSK9 inhibitors: a discrete choice experiment
Poster on board
Wat vinden patiënten zélf belangrijk aan PCSK9-remmers? Een discrete-choice-experiment binnen een breed Nederlands netwerk (Erasmus MC).
Pharmacokinetics and safety of obicetrapib in moderate hepatic impairment: phase I study results
Poster on board
Fase I-onderzoek naar farmacokinetiek en veiligheid van obicetrapib bij matige leverfunctiestoornis (NewAmsterdam Pharma, Naarden).
N=1-studies in statin-intolerance; objectifying nocebo effects (NISONE): a protocol for a randomized controlled trial assessing the implementability of n=1-studies to promote the use of statins
Virtuele e-poster
NISONE-protocol: n=1-studies om het nocebo-effect bij statine-intolerantie te objectiveren (Erasmus MC).
Personalised dosing of PCSK9-monoclonal antibodies evolocumab and alirocumab: an in silico study
Virtuele e-poster
In-silicomodel voor gepersonaliseerde dosering van de PCSK9-antistoffen evolocumab en alirocumab (Erasmus MC).
Beeldvorming, biomarkers & risico
Sex differences in long-term coronary plaque progression
Poster on board
Sekseverschillen in de langjarige progressie van coronaire plaque op CT-angiografie (Amsterdam UMC).
Polygenic risk independently predicts coronary plaque burden and high-risk plaque in patients with non-obstructive coronary artery disease
Poster on board
Een polygene risicoscore voorspelt onafhankelijk plaque-belasting en hoogrisicoplaque bij niet-obstructief coronairlijden (Amsterdam UMC).
Biomarker discovery study identifies 381 plasma proteins associated with risk of secondary major adverse cardiovascular events within three years after carotid endarterectomy
Poster on board
Biomarker-discovery: 381 plasma-eiwitten geassocieerd met nieuwe events na carotisendarteriëctomie (UMC Utrecht, Athero-Express).
Clinical utility of the lipemic index for detecting lipid disorders: a cross-sectional study in adults undergoing routine blood testing
Poster on board
Klinische bruikbaarheid van de 'lipemische index' om lipidstoornissen op te sporen bij routine-bloedonderzoek (UMC Utrecht).
⁶⁸Ga-DOTATATE PET/CT identifies coronary plaque inflammation in asymptomatic patients
Science at a Glance
⁶⁸Ga-DOTATATE-PET/CT spoort coronaire plaque-ontsteking op: de tracer-opname was hoger bij uitgebreid coronairlijden en hing samen met hoogrisicoplaque op CCTA — een mogelijke marker voor inflammatoire plaque bij asymptomatische patiënten. Met Erik Stroes en Nick Nurmohamed (Amsterdam UMC).
Opportunistic coronary artery calcium quantification on routine contrast-enhanced CT-scans in patients with cancer: a prospective cohort study
Science at a Glance
Coronaire calciumscore (CAC) uit routinematige contrastversterkte oncologische CT-scans correleerde sterk met de toegewijde ECG-getriggerde CAC-scan — een kans om opportunistisch cardiovasculair risico te signaleren bij kankerpatiënten. Met Nick Nurmohamed (Amsterdam UMC).
Vrouwspecifieke cardiovasculaire zorg
Increased prevalence of preeclampsia in women with familial hypercholesterolemia
Poster on board
Vrouwen met FH ontwikkelen vaker pre-eclampsie — een sekse-specifiek risicosignaal (Erasmus MC).
Voices of those recruiting: barriers and enablers to women's participation in cardiovascular trials. a qualitative study
Poster on board
Kwalitatieve studie naar barrières en kansen voor deelname van vrouwen aan cardiovasculair onderzoek (Erasmus MC).
Pathogenese & translationeel onderzoek
A hepatocellular model to investigate the mechanisms in intracellular trafficking of APOB–VLDL
Poster on board
Hepatocellulair model om de intracellulaire route van apoB–VLDL te ontrafelen (UMC Groningen).
Declining kidney function is associated with a KLF4-linked smooth muscle ECM program in human carotid atherosclerosis
Poster on board
Afnemende nierfunctie hangt samen met een KLF4-gestuurd gladde-spiercelprogramma in humane carotisplaque (UMC Utrecht).
Prevalence of dyslipidemias in children with a chronic condition: first results from the SMART-YOUTH study.
Virtuele e-poster
SMART-YOUTH: prevalentie van dyslipidemie bij kinderen met een chronische aandoening (UMC Utrecht).
Imaging of experimental atherosclerosis using dextran-coated ultrasmall superparamagnetic iron oxide nanoparticles: evaluation of feasibility and safety
Science at a Glance
Preklinische studie (Erlangen, met Erik Stroes als co-auteur) naar beeldvorming van experimentele atherosclerose met dextran-gecoate USPIO-nanodeeltjes op MRI, gericht op het zichtbaar maken van plaque-ontsteking, met aandacht voor veiligheid.

Early treatment, lifelong impact: long-term cardiovascular outcomes of children with familial hypercholesterolemia
Achtergrond
Richtlijnen adviseren al op jonge leeftijd te starten met statines bij familiaire hypercholesterolemie (FH) om het latere cardiovasculaire risico te verlagen. Hard bewijs dat vroege behandeling ook daadwerkelijk atherosclerotische events en sterfte op volwassen leeftijd voorkomt, ontbreekt echter. De onderzoekers vergeleken de incidentie van cardiovasculaire events en cardiovasculaire sterfte bij volwassenen met FH die vanaf de kindertijd zijn behandeld, met die bij hun niet-aangedane broers en zussen en hun ouders met FH (voor wie in hun jeugd nog geen statines beschikbaar waren).
Methoden
Langlopende cohortstudie onder alle kinderen die sinds 1989 de gespecialiseerde pediatrische lipidenpolikliniek van het Amsterdam UMC bezochten. Geïncludeerd werden alle deelnemers die op 1 januari 2024 ten minste 18 jaar waren. Gegevens over cardiovasculaire gezondheid en de medische voorgeschiedenis van zowel deelnemers als hun biologische ouders werden via een online vragenlijst verzameld.
Resultaten
In totaal 526 volwassenen (404 FH-patiënten, gemiddeld 32,5 jaar; 122 niet-aangedane broers/zussen, gemiddeld 33,1 jaar). Op 55-jarige leeftijd was het cumulatieve aandeel zonder cardiovasculair event vergelijkbaar bij vanaf de kindertijd behandelde FH-patiënten en hun niet-aangedane broers/zussen (0,92 vs 0,99; p=1,00), maar significant lager bij hun ouders met FH (0,70; p<0,0001). Het aandeel zonder cardiovasculaire sterfte was 1,0 bij zowel patiënten als broers/zussen, versus 0,93 bij de aangedane ouders (p=0,009).
Conclusie
De bevindingen leveren sterk bewijs voor de langetermijnwinst van vroege FH-diagnose en het vroeg starten met lipidenverlagende behandeling.

From registry to reality: FH diagnoses and lipid-lowering therapy use in Dutch children.
Achtergrond
FH is een veelvoorkomende autosomaal dominante aandoening (wereldwijd ongeveer 1 op 300). Vroege opsporing en behandeling met lipidenverlagende therapie (LLT) zijn essentieel om premature atherosclerotische hart- en vaatziekten (ASCVD) te voorkomen. De onderzoekers brachten in kaart hoeveel kinderen met FH in Nederland genetisch zijn geïdentificeerd en hoeveel er momenteel LLT krijgen.
Methoden
Cross-sectionele studie met gegevens uit het LEEFH-register (Landelijk Expertisecentrum Erfelijkheidsonderzoek Familiaire Hart- en vaatziekten) en de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Geanonimiseerde demografische CBS-data dienden om het totale aantal kinderen in Nederland in 2024 te schatten.
Resultaten
Circa 20% van de verwachte totale pediatrische FH-populatie is door LEEFH genetisch geïdentificeerd (gemiddelde leeftijd 7,6 jaar), waarvan ~32% binnen de behandelbare leeftijd (8–19 jaar). Binnen die groep stijgt het aandeel genetisch gediagnosticeerde FH van ~15% op 8-jarige naar ~50% op 18-jarige leeftijd. In het meest optimistische scenario wordt tot 81% van de kinderen in de behandelbare leeftijd medicamenteus behandeld.
Conclusie
Ondanks de Nederlandse voortrekkersrol in FH-onderzoek en -zorg is een aanzienlijk deel van de kinderen met FH nog niet gediagnosticeerd en daardoor niet tijdig behandeld. Omdat vroege opsporing tijdige LLT binnen het behandelbare leeftijdsvenster mogelijk maakt, moet identificatie van FH op de kinderleeftijd een prioriteit blijven.

Rationale and design of 25-year follow-up of patients with familial hypercholesterolemia treated with statins since childhood: the AFTER25-study
Achtergrond
FH wordt gekenmerkt door een vanaf de geboorte verhoogd LDL-cholesterol en een verhoogd risico op cardiovasculaire events (CVE) en sterfte. Eerdere studies toonden dat starten met LLT in de kindertijd de progressie van atherosclerose remt, maar definitief bewijs dat vroeg starten ook CVE en sterfte op volwassen leeftijd voorkomt ontbreekt. AFTER25 vergelijkt het cardiovasculaire risico van volwassen FH-patiënten die als kind met statines startten met (1) hun FH-ouders die pas op volwassen leeftijd startten en (2) hun niet-aangedane broers/zussen.
Methoden
Alle 214 kinderen met FH die in 1997–1999 deelnamen aan een tweejarige placebogecontroleerde trial met pravastatine komen, samen met hun niet-aangedane broers/zussen, in aanmerking. Nu, 25 jaar later, wordt dit cohort (35–48 jaar) uitgenodigd in het Amsterdam UMC voor lichamelijk onderzoek, vragenlijsten, medische en familiaire voorgeschiedenis en bloed- en ontlastingsmonsters, plus CCTA en echografie.
Resultaten
Primaire eindpunten zijn CVE (cardiovasculaire sterfte, angina pectoris, myocardinfarct, coronaire revascularisatie en beroerte), mortaliteit, coronaire plaque-belasting (o.a. aanwezigheid en volume van plaque, %atheoomvolume, %niet-verkalkt en %verkalkt plaquevolume, hoogrisicoplaque) en intima-media-dikte van de carotis.
Conclusie
Dit wordt de eerste follow-upstudie van deze omvang die het risico op CVE en sterfte vergelijkt tussen vanaf de kindertijd met statines behandelde FH-patiënten, hun (pas op volwassen leeftijd behandelde) aangedane ouders en hun niet-aangedane broers/zussen.

Impact of evinacumab on coronary plaques in patients with homozygous familial hypercholesterolemia: protocol of the "EVOLVE-HoFH" study
Achtergrond
Homozygote FH (HoFH) is een zeldzame, ernstige aandoening met een extreem verhoogd LDL-cholesterol vanaf de geboorte en versnelde, premature ASCVD. Evinacumab, een antistof tegen ANGPTL3, verlaagt het LDL-C in deze groep sterk, maar het directe effect op de coronaire plaque-belasting is nog onbekend. Door de zeldzaamheid zijn gerandomiseerde placebogecontroleerde MACE-trials onhaalbaar. EVOLVE-HoFH onderzoekt of intensivering van LLT met evinacumab leidt tot regressie of stabilisatie van coronaire atherosclerose, beoordeeld met kwantitatieve CT-coronairangiografie (CCTA).
Methoden
EVOLVE-HoFH is een real-world, observationele, internationale multicenterstudie (prospectief en retrospectief). Met CCTA — een gevalideerde surrogaatmarker — wordt de verandering in plaquevolume vergeleken tussen patiënten die met evinacumab starten (“geïntensiveerde groep”) en een conventioneel behandelde vergelijkingsgroep. Primair eindpunt is het verschil in verandering van het percentage niet-verkalkt plaquevolume (%NCPV), een belangrijke indicator van plaque-instabiliteit, tussen baseline en 18–24 maanden follow-up.
Resultaten
Niet van toepassing — dit betreft de publicatie van het studieprotocol; dataverzameling en analyse lopen nog.
Conclusie
Deze pragmatische opzet is bedoeld om de obstakels van onderzoek bij zeldzame ziekten te omzeilen en levert naar verwachting het eerste bewijs voor een gunstig effect van evinacumab op coronaire atherosclerose.

Genotype and variant functional severity predict phenotype, treatment response, and cardiovascular risk in homozygous familial hypercholesterolaemia: a cross-sectional analysis from the HICC registry

Identification of elevated lipoprotein(a) in first-degree relatives of patients with elevated lipoprotein(a): results from a hospital-based cascade screening cohort

Patient preferences for PCSK9 inhibitors: a discrete choice experiment
Achtergrond
Met steeds meer beschikbare lipidenverlagende therapieën nemen de behandelkeuzes toe. Deze studie onderzoekt welke kenmerken van PCSK9-remmers patiënten het belangrijkst vinden, met als secundaire doelen het verkennen van subgroepverschillen, het kwantificeren van afwegingen en het ondersteunen van gedeelde besluitvorming.
Methoden
Cross-sectionele studie met een discrete-choice-experiment (DCE) in een anonieme online vragenlijst verspreid over 15 Nederlandse ziekenhuizen. Deelnemers maakten 12 keuzetaken tussen hypothetische PCSK9-behandelingen die varieerden in cholesterolverlaging, risico op huidreacties, risico op griepachtige klachten, doseerfrequentie en toedieningssetting. Voorlopige analyse over de periode mei–november 2025.
Resultaten
447 patiënten namen deel (50% vrouw, 69% ASCVD, 65% FH); 85% gebruikte een monoklonale antistof en 12% siRNA. Gemiddeld was LDL-verlaging het meest bepalende kenmerk, maar de voorkeuren verschilden sterk. Vier subgroepen werden onderscheiden: twee groepen (samen 46%) hechtten het meest aan de toedieningssetting, één (27%) aan maximale LDL-verlaging en één (27%) aan het vermijden van huidreacties. Hogere leeftijd, lagere opleiding, FH, eerder myocardinfarct en statinegebruik hingen significant samen met specifieke subgroepen.
Conclusie
Patiënten verschillen aanzienlijk en klinisch relevant in hoe zij de kenmerken van PCSK9-behandeling waarderen. Dit onderstreept het belang van geïndividualiseerde counseling en kan bijdragen aan meer patiëntgerichte behandelbeslissingen.

Pharmacokinetics and safety of obicetrapib in moderate hepatic impairment: phase I study results
Achtergrond
Obicetrapib, een zeer selectieve remmer van het cholesterylester-transfereiwit (CETP), bevindt zich in fase III-ontwikkeling voor dyslipidemie. Inzicht in de farmacokinetiek bij leverfunctiestoornis is van belang voor juist gebruik. Deze studie onderzocht hoe matige leverfunctiestoornis de farmacokinetiek, veiligheid en verdraagbaarheid van een eenmalige orale dosis obicetrapib 10 mg beïnvloedt.
Methoden
Fase I, open-label studie met parallelle groepen (NCT06048302) bij deelnemers met matige leverfunctiestoornis (Child-Pugh klasse B; gemiddelde score 7,7; n=10) en gematchte gezonde controles (n=8). Alle deelnemers kregen op dag 1 een eenmalige orale dosis van 10 mg; bloedafnames tot 168 uur, met follow-up tot dag 29. Niet-compartimentele PK-analyse.
Resultaten
Vergeleken met gezonde deelnemers hadden personen met matige leverfunctiestoornis een lagere piekconcentratie (C_max; geometrische ratio 71,6) en een hogere blootstelling (AUC0–∞ ratio 119,7). De mediane tijd tot piek was vergelijkbaar (6,0 vs 5,5 uur). Obicetrapib was in beide groepen veilig en goed verdragen.
Conclusie
Matige leverfunctiestoornis verhoogt de blootstelling aan obicetrapib licht, zonder de tijd tot piekconcentratie te beïnvloeden. Op grond hiervan wordt geen dosisaanpassing verwacht.

N=1-studies in statin-intolerance; objectifying nocebo effects (NISONE): a protocol for a randomized controlled trial assessing the implementability of n=1-studies to promote the use of statins
Achtergrond
Lipidenverlagende therapieën, met name statines, zijn cruciaal in de preventie van hart- en vaatziekten. Hun effectiviteit wordt echter vaak ondermijnd door statinegerelateerde spierklachten, met therapieontrouw, staken of overstap naar duurdere middelen (PCSK9-remmers, bempedoïnezuur) tot gevolg. N=1-interventies kunnen mogelijk echte bijwerkingen onderscheiden van nocebo-gedreven klachten en het herstarten van statines ondersteunen.
Methoden
De NISONE-trial includeert 249 patiënten met ASCVD of FH die twee of meer statines staakten wegens vermeende klachten. Randomisatie (2:1) naar een N=1-interventie of gebruikelijke zorg. De interventie bestaat uit vier dubbelblinde periodes van zes weken met statine (rosuvastatine 10 mg of atorvastatine 20 mg, 1–2 tabletten/dag) of placebo; klachten worden via een speciaal ontwikkelde app geregistreerd. In een vijfde periode volgt een persoonlijk feedbackrapport, besproken met een zorgverlener. Primaire uitkomst: percentage patiënten dat na één jaar de statine continueert; ook kosteneffectiviteit wordt beoordeeld.
Resultaten
Tot nu toe zijn 23 deelnemers geïncludeerd (16 in de interventiegroep).
Conclusie
NISONE onderzoekt of een N=1-interventie het statinegebruik bij statine-intolerante patiënten kan bevorderen en of de aanpak haalbaar is voor klinische implementatie — mogelijk een praktische manier om therapietrouw te verhogen, klachten te verminderen en zorgkosten te verlagen.

Personalised dosing of PCSK9-monoclonal antibodies evolocumab and alirocumab: an in silico study
Achtergrond
Hypercholesterolemie is een belangrijke risicofactor voor ASCVD. De PCSK9-antistoffen alirocumab en evolocumab worden niet getitreerd op de individuele LDL-waarde, terwijl het LDL-verlagend effect sterk varieert en de kosten hoog zijn vergeleken met statines/ezetimibe. Deze studie evalueerde in silico alternatieve doseerschema's op basis van de individuele LDL-concentratie.
Methoden
In-silicostudie met een virtuele populatie (N=2000) met patiëntkenmerken afgeleid uit registratiestudies. Monte-Carlo-simulaties met gepubliceerde populatie-PK/PD-modellen voor evolocumab en alirocumab (PKPDSim in R). Bij virtuele patiënten met een LDL <1,8 mmol/L op de standaarddosis (eens per 2 weken, Q2W) werd het doseerinterval stapsgewijs verlengd tot Q6W.
Resultaten
Circa 70% van de virtuele patiënten bereikte na 12 weken een LDL onder de streefwaarde en kon het doseerinterval verlengen. Voor evolocumab was verlenging naar Q3W/Q4W/Q5W/Q6W mogelijk bij respectievelijk 17/13/11/28% van de patiënten, en voor alirocumab bij 26/5/31/11%.
Conclusie
De studie toont de mogelijkheid van gepersonaliseerde dosering door verlenging van het PCSK9-doseerinterval op basis van de individuele LDL-waarde. Dit doseerschema moet echter prospectief worden bevestigd in de klinische praktijk.

Sex differences in long-term coronary plaque progression
Achtergrond
Coronairlijden verloopt verschillend tussen de seksen: vrouwen hebben minder plaque-belasting, minder obstructief lijden en een latere start dan mannen. Of kwalitatieve plaquekenmerken zoals hoogrisicoplaque en laag-dichte plaque ook verschillen, is onduidelijk. Deze studie onderzocht sekse-specifieke kwantitatieve en kwalitatieve verschillen in coronaire plaque-belasting en -progressie over een periode van 10 jaar.
Methoden
Patiënten uit een CT-coronairangiografie-cohort (CCTA) werden uitgenodigd voor een herhaalde CCTA na een mediaan scaninterval van 10,2 jaar. Scans werden geanalyseerd met AI-gestuurde kwantitatieve CCTA (AI-QCT). De associatie tussen sekse en plaquekenmerken werd onderzocht met multivariabele regressie, gecorrigeerd voor leeftijd, cardiovasculaire risicofactoren, statinegebruik en scannerinstellingen.
Resultaten
267 patiënten (43% vrouw; gemiddeld 57 jaar). Bij follow-up hadden vrouwen een hoger LDL-cholesterol (3,0 vs 2,5 mmol/L; p<0,001). Bij baseline hadden vrouwen een bijna tweemaal lager mediaan percentage atheoomvolume (PAV) dan mannen. In multivariabele analyse bleef mannelijk geslacht onafhankelijk geassocieerd met meer PAV-progressie, meer verkalkte en niet-verkalkte PAV-progressie, en een tweemaal hogere kans op het ontstaan van laag-dichte plaque; voor hoogrisicoplaque was er geen significant sekseverschil.
Conclusie
Vrouwen vertoonden significant minder plaqueprogressie en een lagere kans op laag-dichte plaque dan mannen, onafhankelijk van risicofactoren en baseline-plaque. Deze sekseverschillen wijzen op verschillende biologische mechanismen in de progressie van atherosclerose.

Polygenic risk independently predicts coronary plaque burden and high-risk plaque in patients with non-obstructive coronary artery disease
Achtergrond
Coronairlijden ontstaat door een samenspel van leefstijl en genetische aanleg, maar de huidige cardiovasculaire risicomodellen houden geen rekening met genetisch risico. Een polygene risicoscore (PRS) bundelt miljoenen genetische varianten tot één maat. Of een CAD-PRS samenhangt met plaque-belasting en hoogrisicoplaque (HRP) bij asymptomatisch, niet-obstructief coronairlijden was onbekend.
Methoden
Plaquevolumes werden gekwantificeerd met een AI-gebaseerd kwantitatief CCTA-platform (AI-QCT). Multivariabele regressie (gecorrigeerd voor leeftijd, sekse en risicofactoren) onderzocht de associatie van de PRS met HRP en plaque-belasting. De toegevoegde voorspellende waarde werd vergeleken over drie modellen: SCORE2, SCORE2+PRS, en aanvullend Lp(a) en CRP.
Resultaten
312 patiënten (61 jaar; 57% man). Het mediane totale plaquevolume was meer dan tweemaal hoger in het hoogste dan in het laagste PRS-kwintiel (115 vs 50 mm³; p<0,001). De HRP-prevalentie steeg over de kwintielen van 42% (Q1) naar 69% (Q5; p=0,003). Een hoge PRS (Q5) was onafhankelijk geassocieerd met HRP (OR 3,77; p=0,001) en met 96 mm³ meer totaal plaquevolume. Toevoegen van de PRS aan SCORE2 verbeterde de discriminatie.
Conclusie
Bij asymptomatische patiënten met niet-obstructief coronairlijden voorspelde een hoge PRS onafhankelijk een grotere plaque-belasting en HRP op CCTA, en verbeterde toevoeging aan SCORE2 de risicodiscriminatie. Dit ondersteunt verder onderzoek naar de PRS als hulpmiddel voor risicostratificatie.

Biomarker discovery study identifies 381 plasma proteins associated with risk of secondary major adverse cardiovascular events within three years after carotid endarterectomy
Achtergrond
Patiënten die een carotisendarteriëctomie (CEA) ondergaan houden een aanzienlijk restrisico (~13%) op majeure cardiovasculaire events (MACE) binnen drie jaar na de operatie. Bestaande chirurgische modellen richten zich vooral op kortetermijnrisico. Om de risicostratificatie in deze secundaire preventie te verbeteren, zocht deze studie naar circulerende eiwitten die samenhangen met het MACE-risico.
Methoden
Plasma-eiwitten werden bij 434 patiënten uit het Athero-Express-cohort gemeten (Olink Explore 3072; 2298 eiwitten geanalyseerd). 45 patiënten kregen binnen drie jaar na CEA een MACE (myocardinfarct, beroerte of cardiovasculaire sterfte). Met uni- en multivariabele Cox-regressie, gene-set-enrichment en tijdsafhankelijke ROC- en ensemblemodellen werden geassocieerde eiwitten geïdentificeerd.
Resultaten
381 eiwitten waren univariabel geassocieerd met MACE (FDR<0,05), waarvan 181 multivariabel significant bleven. 44 verrijkte routes werden gevonden, waaronder endotheelontwikkeling, lipoproteïnemetabolisme en leukocytenmigratie. Het beste ensemblemodel (AUC 0,75) presteerde beter dan het model met alleen risicofactoren (AUC 0,62). Totaalcholesterol had de grootste invloed op de eiwit-effectgroottes.
Conclusie
De studie identificeert nieuwe kandidaat-biomarkers voor het MACE-risico in een secundaire-preventiesetting en benadrukt het belang van routinematig gemeten klinische risicofactoren bij de selectie van eiwitten voor toekomstige validatie en risicomodellen.

Clinical utility of the lipemic index for detecting lipid disorders: a cross-sectional study in adults undergoing routine blood testing
Achtergrond
De lipemische index (L-index) is een geautomatiseerde maat voor de troebelheid van een bloedmonster, routinematig gebruikt voor pre-analytische kwaliteitscontrole in de klinische chemie. Omdat troebelheid lipoproteïne-ophoping weerspiegelt, kan een verhoogde L-index wijzen op een onderliggende lipidstoornis. Deze studie evalueerde de klinische bruikbaarheid van een verhoogde L-index voor het opsporen van zeldzame genetische en behandelbare lipidstoornissen bij volwassenen die routinematig bloedonderzoek ondergaan.
Methoden
Cross-sectionele studie in een tertiair ziekenhuis; volwassenen (≥18 jaar) met een L-indexbepaling tussen januari 2024 en januari 2025 kwamen in aanmerking (IC-monsters uitgesloten). Bij een verhoogde L-index (≥1) werden op restmateriaal een lipidenpanel en apoB bepaald. Patiënten werden gescreend op behandelbare afwijkingen (volgens richtlijnen) en mogelijke zeldzame genetische stoornissen (familiaire dysbètalipoproteïnemie [FD], familiair chylomicronemie-syndroom [FCS] en homozygote FH).
Resultaten
Van 197.084 monsters hadden 345 unieke patiënten (0,2%) een L-index ≥1. Daarvan had 77% dyslipidemie; onder hen had 54% een behandelbare afwijking (meestal triglyceriden >5,6 mmol/L) en 36% een mogelijk zeldzame genetische stoornis. Van de patiënten met respectievelijk behandelbare afwijkingen en mogelijke genetische stoornissen kreeg 59% en 64% géén lipidenverlagende therapie.
Conclusie
Hoewel een verhoogde L-index zeldzaam is, had meer dan de helft een behandelbare lipidstoornis en een derde een mogelijk genetische stoornis. Als geautomatiseerde, kosteloze maat zou de L-index kunnen dienen als schaalbaar screeningsinstrument — vooral voor hoge triglyceriden, die het risico op pancreatitis verhogen.

⁶⁸Ga-DOTATATE PET/CT identifies coronary plaque inflammation in asymptomatic patients

Opportunistic coronary artery calcium quantification on routine contrast-enhanced CT-scans in patients with cancer: a prospective cohort study

Increased prevalence of preeclampsia in women with familial hypercholesterolemia
Achtergrond
Onderzoek naar zwangerschapsgerelateerde uitkomsten bij vrouwen met FH vergeleken met vrouwen uit de algemene bevolking.
Methoden
Vergelijkende studie (november 2023–april 2025) van vrouwen met en zonder FH. Het FH-cohort bestond uit poliklinische patiënten ≥40 jaar uit universitaire ziekenhuizen in Noorwegen en Nederland. Het referentiecohort kwam voort uit aangeschreven vrouwen plus aanvullende ziekenhuiscontroles (Noorwegen) en de Rotterdam Study (Nederland). De cohorten werden 1:2 gematcht op leeftijd, rookstatus, BMI-categorie en etniciteit. Gegevens over reproductieve factoren en zwangerschapsuitkomsten werden via vragenlijsten verzameld.
Resultaten
484 vrouwen met FH werden gematcht met 968 vrouwen zonder FH (mediane leeftijd 55 jaar; 93% van Noordwest-Europese afkomst). ASCVD kwam vaker voor bij FH (22% vs 4%; p<0,001); 95% gebruikte LLT (lager LDL-C: 2,5 vs 3,5 mmol/L). Meer FH-vrouwen waren ooit zwanger geweest (91% vs 84%). Er was geen verschil in zwangerschapsdiabetes of hypertensieve zwangerschapsaandoeningen, maar pre-eclampsie kwam vaker voor bij FH (11% vs 7%; p=0,026).
Conclusie
Vrouwen met FH lijken vaker pre-eclampsie te ervaren dan vrouwen uit de algemene bevolking, in lijn met recent Noors onderzoek. Hoewel verder onderzoek nodig is, kunnen intensievere zwangerschapsmonitoring en preventieve maatregelen bij vrouwen met FH gerechtvaardigd zijn.

Voices of those recruiting: barriers and enablers to women's participation in cardiovascular trials. a qualitative study
Achtergrond
Vrouwen blijven ondervertegenwoordigd in cardiovasculaire klinische trials, ook gecorrigeerd voor ziekteprevalentie. Onderzoekspersoneel dat verantwoordelijk is voor de werving van patiënten kan uniek inzicht geven in de redenen achter deze ondervertegenwoordiging.
Methoden
Kwalitatieve interviewstudie (2024) met een vooraf opgestelde topicgids. Semigestructureerde interviews met verpleegkundigen, trialcoördinatoren en cardiologen/hoofdonderzoekers (70% vrouw) uit het Nederlandse cardiovasculaire onderzoeksnetwerk (WCN), geworven uit vijf Nederlandse ziekenhuizen. De transcripties werden geanalyseerd met thematische inhoudsanalyse.
Resultaten
Na twintig interviews werd dataverzadiging bereikt. De analyse leverde drie hoofdthema's op: het belang van diversiteit, barrières en bevorderende factoren. Belangrijkste barrières voor deelname van vrouwen: 1) wantrouwen jegens onderzoek, 2) angst voor bijwerkingen, 3) niet voldoen aan de inclusiecriteria en 4) zorgtaken of tijdgebrek. Bevorderende factoren vielen uiteen in een aangepaste, persoonlijke benadering en aanpassingen in de studieopzet (vaste man-vrouwverhouding, vrouw-only trials, logistiek).
Conclusie
De geïnterviewden onderscheiden vrouwen die níet kunnen deelnemen door externe barrières van vrouwen die afzien op grond van persoonlijke overtuigingen. Toekomstig onderzoek zou moeten nagaan hoe het vrouwelijke perspectief kan worden verwerkt in (sekse-specifieke) wervingsstrategieën, patiënteninformatie en studieopzet om de deelname van vrouwen te vergroten.

A hepatocellular model to investigate the mechanisms in intracellular trafficking of APOB–VLDL
Achtergrond
Apolipoproteïne B (APOB) is het kerneiwit van VLDL, dat door de lever wordt geproduceerd en in de circulatie wordt uitgescheiden. Veranderingen in de intracellulaire APOB/VLDL-route hangen samen met metabool-disfunctie-geassocieerde steatotische leverziekte (MASLD) en ASCVD. De onderzoekers bestudeerden de VLDL-route met focus op SMLR1, een eiwit met onbekende functie dat samen tot expressie komt met MTTP, een sleutelfactor in het APOB-metabolisme.
Methoden
Er werd gebruikgemaakt van McA-RH7777-cellen (een rattenhepatoomcellijn die VLDL-achtige deeltjes uitscheidt). De cellen werden met siRNA's behandeld om Mttp of Smlr1 uit te schakelen; VLDL-productie werd gestimuleerd met oliezuur. Met immunofluorescentiemicroscopie (BODIPY-lipidekleuring) werden het lipidengehalte en de lipidedruppel-fenotypes gekwantificeerd, en de subcellulaire lokalisatie van APOB werd bepaald met organelmarkers.
Resultaten
Uitschakeling van Mttp (95%) gaf een ongeveer tweevoudige afname van het APOB-signaal en meer (vooral kleine) lipidedruppels; Smlr1-knockdown verhóógde juist het APOB-signaal en gaf minder maar grotere druppels. Mttp-downregulatie verhoogde de colokalisatie van APOB met lipidedruppels, terwijl Smlr1-knockdown die verlaagde. De lokalisatie van APOB naar het ERGIC en de Golgi was verminderd.
Conclusie
Mttp en Smlr1 beïnvloeden de intracellulaire APOB- en lipidedruppel-fenotypes verschillend, met vergelijkbare effecten op het APOB-transport voorbij het endoplasmatisch reticulum. Het model is geschikt om de intracellulaire route van APOB–VLDL verder te bestuderen.

Declining kidney function is associated with a KLF4-linked smooth muscle ECM program in human carotid atherosclerosis
Achtergrond
Nierfunctiestoornis hangt sterk samen met gevorderde atherosclerose en een ongunstige cardiovasculaire prognose. Een dalend geschat glomerulair filtratietempo (eGFR) is gekoppeld aan veranderingen in arteriële structuur en plaquekenmerken, maar het intraplaque-transcriptieprogramma dat met de nierfunctie meebeweegt was onduidelijk.
Methoden
Carotisendarteriëctomie-plaques van 1087 patiënten ondergingen bulk-RNA-sequencing met bijbehorend eGFR. eGFR-geassocieerde genen werden geïdentificeerd en geclusterd in expressietrajecten (“modules”) met routeverrijking. De module-expressie per celtype werd onderzocht in single-cell-RNA-data van 46 humane carotisplaques. Transcriptiefactor-analyse en RNA-seq na KLF4-knockdown in myofibroblast-achtige cellen dienden ter validatie.
Resultaten
Drie eGFR-geassocieerde trajecten werden gevonden. Eén module (428 genen) was sterk verrijkt voor extracellulaire-matrix-organisatie en nam progressief af bij dalend eGFR. In single-cell-data was deze module het hoogst in gladde spiercellen (SMC's), specifiek in synthetische SMC-subclusters. Transcriptiefactor-analyse toonde een prominente KLF4-verrijking; de module correleerde positief met KLF4 en overlapte met gepubliceerde KLF4- en EndMT-signaturen.
Conclusie
De onderzoekers identificeren een KLF4-geassocieerd SMC-ECM-transcriptieprogramma waarvan de activiteit afneemt bij verslechterende nierfunctie en dat een nierfunctie-gevoelige SMC-toestand markeert in humane carotisplaques — een transcriptomische schakel tussen nierdisfunctie, SMC-fenotype en plaquebiologie.

Prevalence of dyslipidemias in children with a chronic condition: first results from the SMART-YOUTH study.
Achtergrond
Chronisch zieke kinderen hebben een verhoogd risico op cardiometabole ziekten, deels door ziektegerelateerde effecten op het lipidenmetabolisme. De omvang en klinische betekenis van dyslipidemie bij deze kinderen zijn echter grotendeels onbekend. De SMART-Youth-studie onderzoekt de prevalentie van dyslipidemie bij chronisch zieke kinderen ten opzichte van gezonde controles en de ziektegerelateerde factoren die de lipidenwaarden beïnvloeden.
Methoden
Cross-sectionele vergelijking van de lopende SMART-Youth-studie (kinderen met chronische aandoeningen: (auto-)immuunziekten, cystische fibrose, nierziekten, aangeboren hartafwijkingen, prematuriteit en onverklaarde klachten) met gezonde leeftijdsgenoten uit het WHISTLER-geboortecohort. Niet-nuchtere bloedmonsters werden onderzocht op totaal-, LDL-, HDL- en non-HDL-cholesterol, triglyceriden en apoB; dyslipidemie werd geclassificeerd met gestandaardiseerde pediatrische afkapwaarden.
Resultaten
56 kinderen met een chronische aandoening (mediaan 14 jaar) versus 156 gezonde controles. De chronisch zieke kinderen hadden hogere mediane waarden voor LDL-C (2,2 vs 2,0), non-HDL-C (2,7 vs 2,5) en apoB (0,7 vs 0,6) en een lager HDL-C (1,3 vs 1,5). Afwijkend LDL-C (11,4% vs 3,2%) en non-HDL-C (15,9% vs 5,1%) kwamen vaker voor.
Conclusie
Chronisch zieke kinderen hebben vaker dyslipidemie dan gezonde controles. Dit benadrukt het belang van lipidenscreening in deze opkomende pediatrische risicogroep voor vroege cardiometabole ziekte.

Imaging of experimental atherosclerosis using dextran-coated ultrasmall superparamagnetic iron oxide nanoparticles: evaluation of feasibility and safety
Lid worden van HartVaat.nl?
Gratis — en we stemmen het nieuws en de literatuur af op uw vakgebied.