Veneuze trombo-embolie (VTE): DVT en longembolie
Veneuze trombo-embolie (VTE) omvat diepe veneuze trombose (DVT) en longembolie (LE). VTE treft circa 1-2 per 1000 personen per jaar en heeft een recidiefrisico van 20-30% in 5 jaar. Moderne diagnostiek met Wells-score, D-dimeer en CT-pulmonaalangiografie (CTPA) maakt snelle besluitvorming mogelijk. DOACs hebben VKA grotendeels vervangen voor behandeling en secundaire preventie.
Kernbegrippen
- Wells-score DVT/LE
- Klinische pre-test kansen score; bij lage score + negatief D-dimeer: VTE uitgesloten; bij intermediaire/hoge score: beeldvorming vereist.
- D-dimeer
- Fibrine-afbraakproduct; hoog sensitief voor VTE maar laag specifiek; nuttig voor rule-out bij lage klinische kans; stijgt bij leeftijd, zwangerschap, infectie, maligniteit.
- PESI-score
- Pulmonary Embolism Severity Index; stratificeert LE-patiënten naar 30-daags mortaliteitsrisico; laag-risico PESI (I-II) = ambulante behandeling mogelijk.
- Massieve LE
- LE met hemodynamische instabiliteit (systolische RR <90 mmHg ≥15 min of vasopressoren nodig); mortaliteitsrisico >15%; behandeling: systemische trombolyse of catheter-geleide behandeling.
Veneuze trombo-embolie: DVT en longembolie — diagnostiek en behandeling
Risicofactoren en uitgelokt versus spontaan
VTE kan uitgelokt (major provokator: chirurgie, immobilisatie, maligniteit, zwangerschap) of spontaan (niet-uitgelokt) zijn. Uitgeloked VTE heeft lager recidiefrisico na stoppen anticoagulatie; spontaan VTE heeft hoger recidief. Trombofiliescreen overwegen bij jonge patiënten, recidiverende VTE, familiegeschiedenis of ongebruikelijke lokalisatie.
Diagnostiek DVT
Wells-score DVT (<2 = laag): D-dimeer; indien negatief: DVT uitgesloten. Wells ≥2 of positief D-dimeer: compressie-echografie been (CUS). Proximale DVT: hoge sensitiviteit CUS; distale DVT: lagere sensitiviteit, seriële meting na 1 week bij twijfel.
Diagnostiek longembolie
Wells-score LE: laag + negatief D-dimeer = LE uitgesloten. Hoge score of positief D-dimeer: CTPA (eerste keuze). Scintigrafie V/Q bij contrast-contra-indicatie of zwangerschap. ECG bij hemodynamisch instabiele LE: S1Q3T3, rechter bundeltakblok, sinustachycardie. Troponine en BNP voor rechter ventrikel-strain risicostratificatie.
Behandeling
Massieve LE: systemische trombolyse (alteplase 100 mg over 2 uur) tenzij contra-indicatie; catheter-geleide trombolyse of thrombectomie als alternatief. Submassieve LE (RV-dysfunctie + biomarkerverhoging zonder hemodynamische instabiliteit): anticoagulatie; trombolyse alleen bij klinische verslechtering. Niet-massieve LE: DOAC (rivaroxaban, apixaban of edoxaban na LMWH) of VKA; ambulante behandeling bij laag-risico (PESI I-II). Behandelingsduur: uitgelokt VTE 3 maanden; spontane eerste VTE 6 maanden tot onbeperkt; recidief VTE: levenslange anticoagulatie overweging.
Secundaire preventie
DOACs bij VTE: EINSTEIN (rivaroxaban), AMPLIFY (apixaban), HOKUSAI-VTE (edoxaban) en RE-COVER (dabigatran) toonden non-inferioriteit of superioriteit vs. LMWH/VKA met minder ernstige bloedingen. Rivaroxaban en apixaban zijn enkelvoudig oraal (geen parenterale startfase vereist).