Geneesmiddel

Bètablokkers bij hypertensie: wanneer nog eerste keus?

Bètablokkers zijn bij ongecompliceerde hypertensie teruggeplaatst naar vierde keus door minder cerebrale protectie dan ACE-remmers, ARB en calciumantagonisten in gerandomiseerde trials. Ze behouden echter een sterke indicatie bij hartfalen met verminderde ejectie, na myocardinfarct, bij tachyaritmieën en bij hypertensie met angina pectoris.

Kernbegrippen

β1-selectiviteit
Voorkeursbinding aan cardiale β1-receptoren; bisoprolol en metoprolol zijn hoogselectief; minder bronchospasmogeen risico.
ISA (intrinsieke sympathomimetische activiteit)
Partieel agonisme; pindolol heeft ISA; minder hartfrequentieverlaging in rust, geen voordeel bij HFrEF.
Vasodilatatoire bètablokkers
Nebivolol (NO-vrijstelling) en carvedilol (α1-blokkade) verlagen perifere weerstand; nuttig bij hartfalen.
LIFE-studie
RCT 2002: losartan superieur aan atenolol voor beroerte-reductie ondanks gelijke bloeddrukdaling; aanleiding herziening positie bètablokkers.
Carvedilol
Niet-selectieve bètablokker met α1-blokkade; bewezen mortaliteitsreductie bij HFrEF (COPERNICUS, CARVEDILOL).

Bètablokkers: huidige positie en indicaties bij hypertensie

Teruggeplaatst in richtlijnen

De LIFE-studie (2002) toonde dat losartan superieur was aan atenolol voor beroertereductie bij vergelijkbare bloeddrukdaling bij hypertensiepatiënten met LVH. Metaanalyses bevestigden dat bètablokkers (met name atenolol) minder cerebrovasculaire bescherming bieden dan andere antihypertensiva. ESC 2024 plaatst bètablokkers als vierde keus bij ongecompliceerde hypertensie.

Behoudt indicaties

Middelen en selectiviteit

Contra-indicaties

Bronnen

  1. LIFE-studie — Lancet 2002
  2. CIBIS-II Trial — Lancet 1999
  3. MERIT-HF Trial — Lancet 1999
  4. ESC 2024 Hypertensie Richtlijn

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Hypertensie