Geïsoleerde systolische hypertensie bij ouderen
Geïsoleerde systolische hypertensie (ISH) is gedefinieerd als een systolische bloeddruk ≥140 mmHg met een diastolische bloeddruk <90 mmHg. Het is de meest voorkomende vorm van hypertensie bij personen ouder dan 60 jaar. ISH verhoogt het risico op hartfalen, beroerte en coronairlijden significant.
Kernbegrippen
- Geïsoleerde systolische hypertensie (ISH)
- Verhoogde systolische bloeddruk (≥140 mmHg) met normale diastolische bloeddruk (<90 mmHg).
- Polsdruk
- Verschil tussen systolische en diastolische bloeddruk; verhoogde polsdruk (>60 mmHg) is een onafhankelijke risicofactor.
- Aortastijfheid
- Verminderde elasticiteit van de grote arteriën, leidt tot systolische drukstijging en vroegere reflectiegolf.
- Pseudohypertensie
- Overschatting van bloeddruk door sterk verkalkte, incompressibele arteriewand (Osler-teken positief).
- Orthostase-hypotensie
- Daling van systolische bloeddruk ≥20 mmHg bij opstaan; vóór behandeling meten bij ouderen.
Oorzaken, risico's en behandeling van ISH bij ouderen
Pathofysiologie
Met het ouder worden verliest de aortawand elasticiteit door collageendepositie en verlies van elastine. Dit leidt tot een hogere systolische piek (de aorta expandeert minder) en een snellere terugkeer van de reflectiegolf, waardoor de systolische druk verder stijgt. De diastolische druk daalt juist licht door de verminderde veerkracht. Het resultaat is een verhoogde polsdruk, die op zichzelf een onafhankelijke cardiovasculaire risicofactor is.
Epidemiologie
ISH treft meer dan 65% van de hypertensiepatiënten boven de 60 jaar. De prevalentie neemt toe met de leeftijd: bij 80-plussers is ISH de dominante vorm van hypertensie. Internationaal zijn er weinig sekse- of etniciteitsverschillen, hoewel vrouwen na de menopauze vaker ISH ontwikkelen dan mannen van vergelijkbare leeftijd.
Cardiovasculaire risico's
ISH is geassocieerd met een twee- tot driemaal verhoogd risico op beroerte, coronairlijden en hartfalen ten opzichte van normotensieven. Interventiestudies (SHEP, Syst-Eur, HYVET) tonen dat antihypertensieve behandeling bij ouderen, ook bij 80-plussers, significante reductie van cardiovasculaire events geeft.
Diagnostische valkuilen
- Pseudohypertensie: Bij sterk verkalkte arteriën kan de manchetmeting de werkelijke intravasale druk overschatten. Het Osler-teken (palpabele arteria radialis ondanks opgeblazen manchet) kan dit suggereren.
- Witte-jashypertensie: Thuis- of ambulante meting (ABPM) is essentieel om dit uit te sluiten.
- Orthostase-hypotensie: Altijd meten voor behandelstart; bij ouderen frequente complicatie van antihypertensiva.
Behandeling
De ESC 2024 richtlijn beveelt behandeling aan bij systolische bloeddruk ≥160 mmHg bij alle ouderen, en bij ≥140 mmHg bij ouderen <80 jaar mits de patiënt dit goed verdraagt. Streefwaarde is 130–139 mmHg systolisch. Behandeling start met een dihydropyridine-calciumantagonist (amlodipine) of een thiazide-achtig diureticum (indapamide). ACE-remmers/ARB zijn tweede keus tenzij comorbiditeit (hartfalen, DM, proteïnurie) hiervoor indicatie geeft.
- Vermijd te snelle daling bij kwetsbare ouderen (risico op vallen, cognitieve daling).
- Monitor nierfunctie en elektrolyten bij start diuretica.
- Controleer altijd staande bloeddruk bij elke visitie.