Praktijk

Metformine bij verminderde nierfunctie: wanneer staken?

Metformine is het eerstelijns orale antidiabeticam bij type 2 diabetes, maar accumuleert bij verminderde nierfunctie doordat het renaal wordt geklaard. Verhoogde metformineconcentraties verhogen het risico op lactaatacidose, een zeldzame maar potentieel fatale complicatie. Huidige richtlijnen hanteren specifieke eGFR-drempelwaarden voor voorzichtigheid en staken.

Kernbegrippen

Lactaatacidose
Metabole acidose door ophoping van melkzuur; zeldzame complicatie van metformine bij accumulatie; mortaliteit 30–50%.
eGFR 30–45: voorzichtigheid
Metformine mag worden voortgezet bij eGFR 30–45 in gehalveerde dosis met meer frequente nierfunctiemonitoring.
eGFR <30: stoppen
Metformine gecontra-indiceerd bij eGFR <30 mL/min/1,73m².
Acute ziekteperiode
Stop metformine tijdelijk bij acute ziekte met risico op nierfunctieverslechtering (dehydratie, braken, diarree, koorts); hervat na herstel.
Contrastbeleid
Stop metformine 48 uur voor en herstart 48 uur na IV-jodiumcontrast bij eGFR <45, conform EMA-advies.

Metformine en nierfunctie: actuele richtlijnen en praktisch beleid

Farmacokinetiek

Metformine wordt niet gemetaboliseerd en volledig renaal uitgescheiden via tubulaire secretie (OCT2-transporter). Bij eGFR-daling neemt de tubulaire secretiecapaciteit af en accumuleert metformine. Verhoogde metformineconcentraties remmen de mitochondriale oxidatieve fosforylering, wat verhoogde lactaatproductie veroorzaakt. Lactaatacidose treedt op bij bijkomende factoren: volumedepletie, sepsis, cardiale decompensatie.

Huidige drempelwaarden (EMA/CBG)

Wanneer tijdelijk staken?

Alternatieve glucoseverlagende therapie bij staken

Bronnen

  1. KDIGO 2024 CKD Richtlijn — Kidney International 2024
  2. Farmacotherapeutisch Kompas – Metformine
  3. NHG-Standaard CVRM

Relevante richtlijnen

Alle richtlijnen →

← Alle onderwerpen in Chronische nierziekte