Vragen

Wat moet een zorgprofessional weten over Pathofysiologie van atriumfibrilleren: triggers en substraat?

De pathofysiologie van atriumfibrilleren berust op het samenspel van triggers — ectopische impulsen, meest afkomstig uit de pulmonaalvenen — en een atraal substraat van fibrose, elektrische remodellering en verstoring van de calciumhomeostase. Begrip van deze mechanismen is de basis voor katheterablatie (eliminatie triggers) en moderne farmacotherapie.

Kernbegrippen:

  • Pulmonaalvene-triggers: Ectopische focale activering vanuit de myo-cardiale manchetten rond de pulmonaalvene-ostia; meest frequente trigger voor het initiëren van AF.
  • Atriale fibrose: Interstitieel collageen in het atrium als gevolg van oxidatieve stress, inflammatie en mechanische rek; vormt heterogeen substraat voor reentrie en AF-persistentie.
  • Electrical remodeling: Verkorting van de atriale actiepotensduur en refractaire periode door chronische tachycardie bij AF: 'AF begets AF' — eenmaal aanwezig behoudt AF zichzelf.
  • Calcium-overload: Intracellulaire Ca²+-overbelasting bij AF door veranderde Ca²+-kanaalregulatie; bevordert ectopische activering (afterdepolarisaties) en elektrische instabiliteit.
  • Autonome modulatie: Het autonome zenuwstelsel (vagale en adrenerge zenuwuitlopers naar het atrium) moduleert AF-inductie; hoge vagale tonus bevordert AF bij nacht/sport; adrenerge pieken triggeren AF bij stress.

Nieuwste evidence op HartVaat:

Bronnen

Dit antwoord is automatisch samengesteld uit de inhoud van HartVaat.nl op 2026-03-12 en verandert mee met de site. Citeer vrij, met bronvermelding en een link naar hartvaat.nl (de url van het record). Samenvattingen zijn redactioneel werk van HartVaat; de oorspronkelijke publicaties blijven van hun uitgevers (doi). Geen medisch advies. Ook als JSON.