Preventie

SGLT2-remmers head-to-head: empagliflozin licht beter dan canagliflozin bij matig CV-risico (target trial van 137.232 patiënten)

Target trial emulation op Amerikaanse claims-data (commercieel + Medicare) van volwassenen met type 2 diabetes en matig cardiovasculair risico die tussen 2015 en 2020 begonnen met canagliflozin (n=42.877), dapagliflozin (n=17.871) of empagliflozin (n=7.648).

In het gewogen cohort (n=137.232; gemiddelde leeftijd 65,7 jaar, 81,9% metformine) lag het MACE-risico iets lager bij empagliflozin versus canagliflozin (HR 0,92; 95%-BI 0,87-0,97), gedreven door verminderde totale mortaliteit (HR 0,86).

Empagliflozin versus dapagliflozin en dapagliflozin versus canagliflozin verschilden niet. Geen verschillen in hyperglykemische of hypoglykemische crises tussen de drie middelen. De drie meest gebruikte SGLT2-remmers tonen vergelijkbare cardiovasculaire effectiviteit; klinieken en zorgsystemen kunnen zich beter richten op het verbeteren van de toegang tot deze klasse dan op middelkeuze.

Abstract (original)

BACKGROUND: SGLT2 (sodium-glucose cotransporter 2) inhibitors reduce major adverse cardiovascular events (MACE) in type 2 diabetes. However, no direct comparison of individual SGLT2 inhibitor drugs has been conducted, particularly among adults with moderate cardiovascular risk who comprise most people with type 2 diabetes. METHODS: We used data for commercial, Medicare Advantage, and Medicare fee-for-service beneficiaries to emulate a target trial of adults (≥21 years) with type 2 diabetes and moderate cardiovascular risk who started canagliflozin, dapagliflozin, or empagliflozin between 2015 and 2020. We estimated propensity scores using the super learner ensemble method and incorporated them as inverse probability of treatment weights into Cox models, estimating risk of MACE, expanded MACE, and hyperglycemic and hypoglycemic crises through December 31, 2022. RESULTS: The weighted cohort, balanced on all baseline covariates, included 137 232 patients (mean age 65.7 years [SD, 8.1], 75.3% non-Hispanic White, 57.0% male, 81.9% on metformin, 11.4% on glucagon-like peptide-1 receptor agonists) starting canagliflozin (N=42 877), dapagliflozin (N=17 871), or empagliflozin (N=7648). The risk of MACE was lower among patients starting empagliflozin versus canagliflozin (hazard ratio [HR], 0.92 [95% CI, 0.87-0.97]), driven by reduced risk of all-cause mortality (HR, 0.86 [95% CI, 0.80-0.94]). There was no difference in MACE between empagliflozin versus dapagliflozin or dapagliflozin versus canagliflozin therapy. There was no difference in remaining outcomes between the three drugs. CONCLUSIONS: The 3 most used SGLT2 inhibitor medications demonstrate similar effectiveness on cardiovascular outcomes among patients with type 2 diabetes at moderate cardiovascular risk, with differences between these drugs small in magnitude. Clinicians and health systems should prioritize enhancing access to these cardioprotective therapies.

Dit artikel is een samenvatting van een publicatie in Journal of the American Heart Association. Voor het volledige artikel, alle details en referenties verwijzen wij u naar de oorspronkelijke bron.

Lees het volledige artikel

DOI: 10.1161/JAHA.125.046238

Lid worden van HartVaat.nl?

Gratis — en we stemmen het nieuws en de literatuur af op uw vakgebied.

Maak een gratis account