Vragen
Bètablokkers bij hypertensie: wanneer nog eerste keus?
Bètablokkers zijn bij ongecompliceerde hypertensie teruggeplaatst naar vierde keus door minder cerebrale protectie dan ACE-remmers, ARB en calciumantagonisten in gerandomiseerde trials. Ze behouden echter een sterke indicatie bij hartfalen met verminderde ejectie, na myocardinfarct, bij tachyaritmieën en bij hypertensie met angina pectoris.
Kernbegrippen:
- β1-selectiviteit: Voorkeursbinding aan cardiale β1-receptoren; bisoprolol en metoprolol zijn hoogselectief; minder bronchospasmogeen risico.
- ISA (intrinsieke sympathomimetische activiteit): Partieel agonisme; pindolol heeft ISA; minder hartfrequentieverlaging in rust, geen voordeel bij HFrEF.
- Vasodilatatoire bètablokkers: Nebivolol (NO-vrijstelling) en carvedilol (α1-blokkade) verlagen perifere weerstand; nuttig bij hartfalen.
- LIFE-studie: RCT 2002: losartan superieur aan atenolol voor beroerte-reductie ondanks gelijke bloeddrukdaling; aanleiding herziening positie bètablokkers.
- Carvedilol: Niet-selectieve bètablokker met α1-blokkade; bewezen mortaliteitsreductie bij HFrEF (COPERNICUS, CARVEDILOL).
Nieuwste evidence op HartVaat:
- 2026-08-08: SGLT2-remmers en bloeddrukdoelen bij hypertensief HFpEF — een overzicht van richtlijnen en bewijs
Bronnen
- Kennispagina
- LIFE-studie — Lancet 2002
- CIBIS-II Trial — Lancet 1999
- MERIT-HF Trial — Lancet 1999
- ESC 2024 Hypertensie Richtlijn
Dit antwoord is automatisch samengesteld uit de inhoud van HartVaat.nl op 2026-03-12 en verandert mee met de site. Citeer vrij, met bronvermelding en een link naar hartvaat.nl (de url van het record). Samenvattingen zijn redactioneel werk van HartVaat; de oorspronkelijke publicaties blijven van hun uitgevers (doi). Geen medisch advies. Ook als JSON.